Preken

Onze wereld omgekeerd

Preek over Exodus 19:3-8 en Mattheus 5:1-10

Inleiding

De Bergrede van Jezus heeft veel mensen geïnspireerd. Ghandi voelt zich er sterk door aangesproken en verbindt haar met zijn eigen denkwijze als hij zegt: ‘De liefde lijdt steeds, koestert nooit wrok, wreekt zichzelf nooit.’ Jezus en Ghandi ontmoeten elkaar in de gedachte: Er moet een manier van leven zijn die de gangbare orde van wraak en vijandschap doorbreekt. Daarbij wordt Jezus geïnspireerd door het vaste vertrouwen dat Gods Nieuwe Wereld op het punt staat om door te breken. De Bergrede begint met de ‘zaligsprekingen’. Jezus bedoelt: mensen zijn echt gelukkig als ze deel uitmaken van deze nieuwe beweging: onze wereld omgekeerd.

Preek

Als je allerlei ontwikkelingen om je heen ziet kan je dat soms onrustig maken: het Coronavirus, bevolkingsgroepen die zich steeds meer tegen elkaar afzetten, klimaatverandering, gigantische bosbranden. En dan zijn er nog de problemen op langere termijn: verarming van een groot deel van de wereld, verwoestijning, het stijgende water dat ook ons hier in Nederland zal treffen. In gedachten gaat het dan wel eens door je heen. Kan het ook heel anders gaan? Deze wereld omgekeerd, in positieve zin – zou dat ook kunnen? Een kanteling van alle bedreigende ontwikkelingen, zodat we weer opgelucht adem kunnen halen. Vaak denken we: het is allemaal te groot om aan te pakken en wat heeft het voor zin als alleen wij ons hier in zouden zetten – dan moet iedereen meedoen. Of zou je toch het vertrouwen moeten hebben, dat het zo ver komt, dat iedereen bij zichzelf wil beginnen?

De grote kanteling. Je kunt in alle fasen van de geschiedenis over zoiets nadenken. Komt dat dan voort uit de inzet van mensen? Mentaliteitsverandering? Is het iets dat ons aangereikt wordt… God weet waarvandaan? Jezus geloofde in ieder geval dat het kòn en dat het absoluut zou gaan gebeuren. Want – zo geloofde hij – de werkelijkheid is geen onbeweeglijk massief blok – onze wereld vindt zijn grondslag in God, die in en door ons werkt. De kracht van zijn Geest doortrekt ons. En dat maakt Jezus vol vertrouwen. Als je dit allemaal beseft en gelooft, zegt hij, ben je intens gelukkig – ook als je het nu nog niet ziet. We naderen het kantelpunt: deze wereld omgekeerd.

Mattheus schreef het verhaal over Jezus op, voor zijn gemeenteleden die van Joodse afkomst waren. Ook die mensen zullen het in hun kerkgemeenschap zeker niet altijd gemakkelijk gehad hebben. Waar gaat het naar toe? –  zullen ze wel eens gedacht hebben. We worden vervolgd door onze medebroeders die het niet met de nieuwe Jezusbeweging eens zijn. De Romeinse overheid kan ook als een grote bedreiging ervaren zijn. In 66 begon de Joodse oorlog. Grote kans, dat Mattheus zijn evangelie opschreef nadat, in het jaar 70, de tempel door de Romeinen verwoest was. Wat zeg je tegen mensen die zo vervolgd worden. Mattheus spreekt hun moed in met de woorden van Jezus. Maar hij doet dat op een heel bijzondere manier. Zijn toehoorders kenden natuurlijk heel goed de oude verhalen van Israël: het ging daarin om hun eigen voorvaderen. Zij beseften heel goed, dat God je bevrijder is en dat je zelf liefde en vrede dichterbij brengt als je je houdt aan de Thora. Zo staat het in de bijbelse geschriften.

De toehoorders van Mattheus kenden natuurlijk ook het verhaal van de slavernij in Egypte en de pasgeboren jongetjes die op last van de Farao in de Nijl verdronken moesten worden. Zij wisten van dat ene baby’tje Mozes die ronddreef in een biezen mandje, maar gered werd. En hoe hij het volk uitleidde uit het slavenhuis Egypte. Hoe hun voorouders de woestijn doortrokken, 40 jaar lang. En hoe ze, vanaf de berg Horeb van Mozes de twee stenen platen ontvingen, met daarop de Thora: de regels voor het leven. En als je je daar echt aan houdt, dan kan de wereld kantelen, de goede kant op.

Mattheus schrijft voor hen zijn verhaal op over Jezus. Overgeleverde woorden, doorgegeven teksten, zelf gelegde verbanden. Hij zal een en ander ook geordend hebben, op zijn eigen manier, voor zijn Joodse volksgenoten. Hij wilde hun zeggen: deze Jezus was Zoon van ons volk, maar ook: de Nieuwe Mozes. En hij vertelt hoe Jezus behoorde tot kleine kinderen die bedreigd werden in Bethlehem door de wrede koning Herodes, de Farao van die tijd. Maar hoe Jezus ontkwam en met zijn ouders wegvluchtte, zoals ooit Mozes gered werd in het biezen mandje. En hier haalt Mattheus er zelfs een profetie bij. Jozef en Maria kunnen pas na de dood van Herodes naar Israël terugkeren, opdat vervuld wordt wat door de profeet gezegd is: Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. Maar als we dan nagaan waar dat staat, komen we uit bij de profeet Hosea. Hij zegt: Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. (Hosea 11:1). Dat gaat dus over het volk Israël, dat bevrijd is uit het slavenhuis. Niet over Jezus. Toch zegt Mattheus: ik houd het erop dat deze tekst iets zegt over Jezus’ leven. En het gaat nog verder. Het volk Israël dwaalt, na de doortocht door de Rode Zee, onder leiding van Mozes veertig jaar door de woestijn. Jezus loopt, na zijn doop, veertig dagen door de woestijn, voordat hij de verzoekingen ondergaat. Hij ervaart net als Mozes en het volk, dat er geen brood is in de wildernis. Uiteindelijk komen Mozes en de Israëlieten bij de berg Horeb. Hier geeft Mozes de Leefregels van God aan het volk. En Mattheus zegt parallel hieraan, dat ook Jezus de berg opgaat om aan het volk zijn Levenswoorden door te geven. Lucas vertelt overigens, dat Jezus zijn rede gewoon in het veld houdt. De conclusie moet zijn: Voor Mattheus is Jezus de nieuwe Mozes. Dan kun je je natuurlijk afvragen: wat is het verschil? Geeft Jezus dan andere leefregels dan Mozes ooit aan Israël gaf. Nee, want Jezus zegt juist in de Bergrede: Ik schaf geen lettertje of streepje van de oude Thora van Mozes af. (Mattheus 5:18-19). Maar Jezus licht wel precies de kern uit de leefregels. Hij scherpt ze aan als hij zegt: Tegen de voorvaders is gezegd: Je mag niet doden. Maar ik zeg jullie: Bedenk daarbij, dat je een ander ook met woorden kunt doden. (Mattheus 5:21-22).

Zo sluit Jezus aan bij de Thora van Israël, maar hij voegt iets toe. En dat is, dat alles wat je doet te maken moet hebben met de doorbraak van de Nieuwe Wereld van God. De grote Kanteling. Hij ziet dat de schriftgeleerden en farizeeërs druk in de weer zijn met allerlei Thorageboden. Dat is mooi, maar het is niet genoeg. Als je niet inzet op meer eerlijkheid, rechtvaardigheid, liefde, dan bouw je niet mee aan dat nieuwe Rijk. En dus heb je geen deel aan de grote omwenteling. (Mattheus 5:20). Je moet wel starten vanuit de Thora, maar je moet verdergaan. En als we dat allemaal doen, zal deze wereld omgekeerd worden – positief bedoeld. Dan zullen al die mensen die nu kansloos lijken eindelijk een goed leven hebben, wie pijn en verdriet hebben zullen een koesterende hand op hun schouder voelen.

Met dit soort gedachten begint Jezus zijn rede vanaf de berg. Jezus, de nieuwe Mozes, start vanuit de diepgewortelde overtuiging, dat alles anders wordt. Ens als je dat beseft, dan kan alleen al dat vooruitzicht, je intens gelukkig maken. In oude vertalingen wordt het woord ‘zalig’ gebruikt: Zalig de armen van geest van hen is het Koninkrijk van de hemel. Maar het gaat hier niet om een hoge of verre hemel waarin je ‘zaligheid’ ervaart. Het Griekse woord (Gr. makarios – gelukkig), kan dan ook beter vertaald worden met ‘gelukkig’, maar dan in de zin van: diep, intens gelukkig. Je geluk bestaat erin, dat je beseft, dat het anders kan en anders zal worden, omdat de nieuwe revolutionaire kracht van Gods Liefde doorbreekt in deze wereld. Daarom: Intens gelukkig zijn jullie die weten dat je het niet van je eigen prestaties moet hebben, want de kracht van God, komt je tegemoet. Verdriet is begrijpelijk, maar als je vertrouwt dat het anders kan en zal worden, dan ben je nu al intens gelukkig. Je ziet oorlog en ruzie om je heen, maar je kunt toch diep gelukkig zijn als je zelf iets kunt bijdragen aan vrede. Ja, dan ben je als drager van die vrede, kind van God. En zo verklaart Jezus veel mensen gelukkig, die in onze ogen beklagenswaardig zijn: mensen die treuren, die vanuit zachtaardigheid veel verdragen, die zoeken naar eindelijk gerechtigheid, die ondanks alles voor eerlijkheid opkomen, ja zelfs mensen die vervolgd worden. Hoe kan het? Dat kan alleen als je gelooft, dat deze wereld niet zonder meer massief en ondoordringbaar is, maar dat verandering mogelijk is. Deze wereld omgekeerd.

Jezus zegt in de lijn van Mozes: het begint met Thora: het volgen van Gods leefregels en recht doen aan elkaar. Maar je zou ook het vertrouwen moeten hebben, dat waar wij ons inzetten, de liefde en de vrede van God door ons heen werken. En dat er dus een omslag kan komen: een nieuwe wereld, een Rijk van liefde en vrede. Het kantelpunt is al gekomen. Diep gelukkig ben je als je vanuit dat vertrouwen leeft en als je je vandaar uit inzet.

Hebben wij hier nu ook iets aan in het gewone leven? Lukt het ons om intens gelukkig te zijn bij wat we nog niet zien? Dat zal niet altijd gaan. Toch denk ik, dat Jezus’ woorden nog steeds een bezielende kracht hebben. Ze stellen ons de vraag: hoe kijk jij naar onze wereld? Zie je alleen maar met zorgelijkheid allerlei ontwikkelingen aan: klimaatveranderingen, aantasting van het leven, polarisatie, uitbarsting van geweld, ongelijkheid tussen mensen. Als was het niet meer dan het lot van onze wereld. Of geloof je toch in die kanteling: deze wereld omgekeerd. Geloof je dat God, in alles diep verscholen, ons niet loslaat, maar aanspreekt. Pak het dan allemaal weer op: de troost die je elkaar geeft, de inzet voor verbetering, de weg van de eerlijkheid. Geloof dan dat het kan kantelen, de goede kant op. Diep gelukkig ben je als je je daaraan toevertrouwt.

Beter horen…

Preek over 1 Samuel 3:1-18 (gedeelten) en Marcus 4:8-9

Inleiding

‘Wie oren heeft om te horen, die moet ook horen!’ – zegt Jezus. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar er wordt meer mee bedoeld dan: zet je oren goed open. Het betekent: Hoor in deze woorden wat de diepste bedoeling is en wat het met jou persoonlijk te maken heeft. Meestal is de taal die haast onhoorbaar is wezenlijker dan wat de wereld in geschreeuwd wordt. Samuel hoort Gods stem in de nacht. Die stem maakt hem bewust van misstanden die rechtgezet moeten worden. Ook voor ons is het belangrijk om de zachte stemmen te horen die ons aanzetten om meer vrede en liefde te brengen. ‘Wie oren heeft, die moet ook horen!’

preek

Het is een geheimzinnige uitspraak van Jezus: ‘Wie oren heeft om te horen, die moet ook horen!’ (Marcus 4:9) Het gaat over de parabel van de graankorrels die uitgestrooid worden. Veel zaadjes ontkiemen niet of worden door onkruid verstikt, maar sommige brengen wel vrucht op: aren met soms wel honderd korrels. ‘Wie oren heeft om te horen, die moet ook horen!’ Er moet méér mee bedoeld zijn dan: Zet je oren open! Waar het hier om gaat is eerder: Hoor door deze woorden heen. Hoor wat de diepste bedoeling is en hoor vooral wat het met jou te maken heeft. Die gelijkenis over die graankorrels die tot aren uit kunnen groeien, zeggen iets over jou en wat er van jou verwacht wordt.

De oproep om te horen komt op veel plaatsen in de bijbel voor. Het betekent in allerlei varianten: Luister, dit gaat over jou! De geloofsbelijdenis van Israël, die verwoord wordt in het joodse ochtend- en avondgebed, begint met de oproep om te horen: Hoor Israël, de Eeuwige onze God, de Eeuwige is de Enige! (Deuteronomium 6:4) En ook hier ben je zelf in het geding, want wat volgt is de leefregel waar het persoonlijk voor je op aan komt: Heb de Eeuwige, je God, lief met hart en ziel en met inzet van al je krachten.

Nu zijn we geneigd te denken, dat woorden die gehoord moeten worden, altijd met kracht uitgeroepen worden. Wij zien op de tv hoe wereldleiders met spierballentaal proberen anderen klein te krijgen of te manipuleren. Voortdurend roepen ze: Hoor! Luister naar wat ik te zeggen heb! Misschien kun je op zo’n moment je oren beter even dichtstoppen, want er is veel harde, maar ook betekenisloze taal: schreeuwerige woorden die verdacht maken of uitschelden, die de toehoorders mee willen sleuren, loze beloften en nepnieuws. Er zijn eindeloze rapporten en beleidsstukken: vaak holle taal. Kaf waar geen graankorrels inzitten, lege vliesjes die wegwaaien op de wind. Wat erin ontbreekt is de aansporing aan jezelf en de liefde.

Intussen bestaat de taal die er echt toe doet niet uit brallerige woorden. Soms kun je die taal zelfs niet eens fysiek horen, maar ze gaat wel door alles heen. Na de eerste mensenmoord, de moord van Kain op Abel, zegt God tegen Kain: Wat heb je gedaan? De stem van het bloed van je broer schreeuwt het uit (Hebr. tsa-a-k) naar mij vanaf de aardbodem.  (Genesis 4:9) Bloed kan niet letterlijk schreeuwen, maar het kan het oor van je hart diep treffen. Abel – zijn naam betekent ademtocht – Abel, deze weerloze mens is zomaar dood. Zijn bloed schreeuwt het uit, in een geladen stilte. Daarom moeten we juist nu goed horen, want het komt aan op ons mensen: dit mag nooit meer gebeuren.

De woorden waar je echt naar zou moeten luisteren, zijn soms haast onhoorbaar. Ze klinken in omstandigheden waarin je ze niet verwacht. De profeet Elia zit depressief onder een struik in de woestijn. Hij heeft het gevoel dat hij er helemaal alleen voor staat en dat hij zelfs met de dood bedreigd wordt. Uiteindelijk gaat hij bij de berg Horeb een grot in om God te ontmoeten.  (1 Koningen 19:12-15). Misschien denken we, dat nu de stem van God luid zal weerklinken, maar dat gebeurt niet. Er doet zich wel een storm voor, een aardbeving en een vuur, maar daarin klinkt geen enkel woord van God. Dan wordt het stil en horen we de stem van een ijle stilte.  (Hebr. kol demamah dakkah) Het is bijna niet te vertalen. Maar die stem van de stilte zegt tegen Elia: Jij doet ertoe. Dit gaat over jou. Er wordt nu iets van jou verwacht. En Elia moet twee mannen tot koningen zalven en Elisa tot zijn opvolger.

‘Horen’ – het is een kernwoord in de bijbel, want het betekent, dat je als mens serieus genomen wordt en dat je groepen wordt om je in te zetten.

Vanmorgen staat Samuel centraal. Juist in zijn leven draait alles om ‘horen’. En het is dan ook niet toevallig, dat zijn naam betekent ‘van God gehoord’ of ‘God heeft gehoord’. Zo legt zijn moeder Hanna zijn naam ook uit. Hanna had in haar leven te maken met een rivaal, de andere vrouw van haar man Elkana. Die mededingster heette Peninna. Zij had kinderen, maar Hanna niet. En dat wreef Pennina haar voortdurend in. Op een dag gaat Hanna met haar man Elkana naar het heiligdom in Silo. Daar bidt zij: God, als U echt ziet hoe vreselijk verdrietig ik ben, en als U echt om mij geeft en mij niet bent vergeten, geef mij dan een zoon! Dan zal ik hem voor zijn hele leven aan U geven. De priester Eli, ziet haar bidden: Eerst denkt hij: wat prevelt die vrouw daar toch zo voor zich uit? Ze lijkt wel dronken. En hij geeft Hanna op haar kop. Maar Hanna zegt: Ik ben niet dronken, maar ik heb mijn hart uitgestort bij God. (…) ik heb zo lang gebeden omdat ik zo vreselijk verdrietig ben. Een paar jaar later zijn Hanna en haar man weer in het heiligdom van Silo. Nu hebben ze een kleine jongen bij zich. Ze heeft hem Samuel (Sjemoe-el) genoemd: Ja, want God heeft haar woorden in de stilte gehoord. Ze heeft een zoontje. Maar er is hier nog iets aan de hand. Hanna beseft: dit kind is niet mijn bezit. Ik moet het ook niet zien als een compensatie voor mijn verdriet, omdat ik zo getreiterd ben door Peninna. Laat mijn lieve kleine zoon toegewijd zijn aan wat voor God belangrijk is. En daarom brengt ze hem naar het heiligdom is Silo en zal hij het knechtje van priester Eli zijn. En wie weet, wat hij ooit nog eens zal kunnen betekenen voor het hele volk?

 Overal is oneerlijkheid en corruptie. Vroeger en nu. In regeringen en besturen. In tempel en kerk. Zo ook in het heiligdom van Silo. Eli had twee zoons, medepriesters. Ze heetten Chofni en Pinechas. Deze mannen maakten de offerdienst aan de Eeuwige tot een aanfluiting. Als je in vroegere tijd een offer aan God bracht, was dat een teken van toewijding, van dankbaarheid of om het vertrouwen te hebben, dat je van God weer opnieuw mocht beginnen. Een deel van het vlees werd geofferd, maar er werd ook vlees gegeten tijdens de offermaaltijd. En een deel van het vlees kwam toe aan de priesters. Maar wat deden Chofni en Pinechas?   Ze stuurden een knecht met een drietandige vork. (…)  Daarmee prikte die in de pot, de pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende de priester zich toe Sterker nog, soms kwam de priesterknecht, al vóór er rook van het vet opsteeg, eisen: ‘Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!’ Als dan degene die aan het offeren was antwoordde: ‘Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u nemen wat u hebben wilt, ‘zei de knecht: ‘Geef op! Anders neem ik het met geweld!’  (1 Samuel 2: 13-16). Dat was dus totaal respectloos. Zo neem je mensen die zich oprecht richten op God niet serieus. Zo minacht je de manier waarop zij nadenken over zichzelf, hun levensweg en God.

Het was nacht. De kleine Samuel lag te slapen. In de serene rust klinkt de stem van een ijle stilte. ‘Samuel, Samuel?’ Heeft hij gedroomd? Hij gaat naar Eli. U hebt mij toch geroepen? Maar Eli zegt: Ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen. Maar Samuel hoort opnieuw die stem: Samuel, Samuel. En uiteindelijk begrijpt Eli, dat de Eeuwige zelf hem geroepen moet hebben. Hij zegt: Als het weer gebeurt zeg dan: ‘Spreek, HEER, uw dienaar luistert.’ En Samuel hoort opnieuw de stem. Het gaat om een onheilsboodschap: er zal een vonnis voltrokken worden over de familie van Eli. Zo afschuwelijk hebben deze priesters zich misdragen.

Maar – als we verder doordenken – klinkt hier ook al een oproep aan Samuel: Hoor, Samuel. Dit heeft met jou te maken. Jij zelf bent in het geding. Besef, dat dit onrecht niet mag voortbestaan. Jij zult rechter zijn, leidinggeven aan het volk. Er ligt een taak voor jou.

‘Horen’ – een woord dat een grote diepte heeft, ook voor ons. ‘Horen’ gaat over God, die de klacht in de stilte hoort van al die mensen die geminacht en getreiterd worden – om aan hen bevrijding te geven. ‘Horen’ – dat gaat ook over ons. ‘Wie oren heeft om te horen, die moet ook hóren! Wij horen veel stemmen: De stem van achthebbers die om aandacht schreeuwen. De stem van bloed dat van de aardbodem roept. Maar horen we ook het geluid van wie nauwelijks kunnen roepen: de stemmen van de mensen die in kampen zitten, omdat ze ons werelddeel niet in mogen? Of de roep van het koraal dat geleidelijk afsterft in onze wereldzeeën? Gelukkig is er niet alleen die noodroep, maar zijn er ook de helpende stemmen: mensen die elkaar bemoedigen. De zachte stem die je vertrouwen influistert. We zetten ons er samen voor in. Oprecht gesproken woorden van hoop en liefde. En, zoals eens Elia, horen we de stem van God, die de stilte niet breekt, maar ons zijn nabijheid toezegt. Laat wie oren heeft ook horen. Het gaat over jou.

Een stem naar de hemel…

Preek over Psalm 43 en Lucas 18:10-14

Inleiding

Muziek in de kerk brengt tot uiting wat er in mensen leeft. Vandaag staat de Misa Criolla centraal, die met passie en temperament de roep om ontferming uitschreeuwt, maar evengoed de lofzang laat horen van hoop en vertrouwen. We verbinden de verschillende onderdelen van de mis met teksten uit de bijbel. Psalm 43 Laat ons zien, hoe iemand in wanhoop tot rust komt. Uit het verhaal van de farizeeër en de tollenaar blijkt hoe de tempel de plaats is van loslaten en opnieuw beginnen. Wat in de mis plaatsvindt, is hiermee nauw verbonden.

Preek

Vandaag staat de Misa Criolla centraal. Een mis gecomponeerd in 1964 door de Argentijn Ariel Ramirez in de taal van Argentinië, het Spaans. Dat is opvallend, want tot kort daarvoor werden alle missen opgedragen in het Latijn. Maar in die tijd vond het tweede Vaticaans concilie plaats, waarin besloten werd dat de mis in de eigen volkstaal uitgevoerd mocht worden. Dat was een belangrijke doorbraak, want dan begrijp je wat je zingt. De Mis heet ‘Misa Criolla’ en dat wil zeggen: ‘Inheems’, ‘eigen aan het land en volk’. Maar nu bestaat Zuid Amerika uit een veelheid van volken: blanken die ooit als kolonisten uit Europa gekomen waren, donkere mensen die als slaven aangevoerd waren uit Afrika, oorspronkelijke bewoners van het continent. En die volken mengden zich en ontwikkelden een eigen cultuur en muziekstijl. Je komt ze allemaal tegen in de verschillende onderdelen van de mis: invloeden van de noordelijke hoogvlakten, van midden Argentinië, uit Bolivia, van de Pampa’s in zuidoost Argentinië. Veel volksmelodieën. Ze drukken temperament uit, maar laten ook iets zien van de hardheid van het leven en de strijd voor gerechtigheid. Je kunt dan ook zeggen, dat ze al iets laten zien van de sociale beweging die daarna zichtbaar werd binnen de kerken van Zuid-Amerika, de bevrijdingstheologie. Je voelt ook in deze mis iets van de huiver, de pijn, het verlangen naar vrede. Ariel Ramírez heeft erop aangedrongen dat dit werk niet als een strikte ‘katholieke’ boodschap zou worden gezien, maar eerder als een expressie van een universeel gevoel, gekoppeld aan het verlangen naar vrede dat in elke cultuur in deze wereld bestaat.

Deze mis, maar dat geldt eigenlijk voor elke mis, drukt een diep persoonlijk gevoel uit. We voelen dat er iets onder woorden gebracht wordt, dat diep in ons leeft. En de muziek onderstreept dat nog eens. Je kunt in die zin de mis vergelijken met de psalmen.

Vanmorgen hebben we Psalm 43 gelezen. Daarin gaat het om iemand die weet van gevaren en mensen die het op hem gemunt hebben. En het gaat door hem heen: is er dan niemand die mij ziet, die mij recht wil doen? Dan gaat hij bidden: God, kom toch voor mij op. Als er niemand is, zet U zich dan in voor mijn zaak. Er zijn zoveel liefdeloze mensen om mij heen. Ik ben gehuld in het zwart, vol rouw, vol angst. Waarom? Toch geloof ik, dat er een uitweg is. Zend mij toch uw licht en laat uw trouw (Hebr. èmèth) als een grond onder mijn leven zijn. En laat dat licht en die trouwe hand mij dan leiden naar uw heilige tempel. Want daar ervaar ik uw aanwezigheid. Daar bij de prachtige muziek op de lier. Dan zing ik het uit: Dan voel ik dat u mij intens blij maakt. U zelf bent mijn grootste geluk. Daarom zeg ik maar tegen mezelf: waarom laat je je zo neerdrukken. Wat maakt je toch zo onrustig. Ik vertrouw op U – ik geloof dat het goedkomt. God ik zal weer een loflied voor u zingen. Psalm 43 in onze taal.

Het opgaan naar een tempel of kerk heeft blijkbaar te maken met onze diepste gevoelens: Onze zorgen, ons schuldgevoel en wat we hopen – we brengen het mee. En hier leggen we het neer voor God. Misschien zoeken we ook vergeving: voor ons ongeduld, onze onverschilligheid. Mogelijk willen we ook de misplaatste woorden hier achterlaten, of het berouw over wat fout liep. Of: loslaten wat maar steeds verkeerd gaat.

Twee mannen gingen naar de tempel, vertelt Jezus. De een had vooral oog voor wat hij goed deed. Dat is op zich niet verkeerd. Maar ga je dan niet gauw boven de ander staan? Die ander, een tollenaar, voelde het tekort in zichzelf: God, het ging niet, zoals ik het eigenlijk wilde. Maar waar moet ik met mijn fouten naar toe? Kan er voor mij een nieuwe weg zijn, een ander leven? O God, zend mij uw licht en uw trouw, mogen die mij geleiden. En daar, in de tempel, kreeg die tollenaar weer ruimte.

Dat is dus wat wij ook zoeken in de kerk. En de tekst van de mis, die ontwikkeld is in de oude kerk, sluit daarop aan. Laten we de elementen van de mis doorlopen. We sluiten aan bij de klassieke tekst die overwegend in het Latijn geschreven is.

De mis begint met het Kyrie eleison. En dat is dan direct al het gedeelte in de mis dat – vreemd genoeg – geen Latijnse tekst is. Want Kyrie eleison is Grieks voor Heer, ontferm U. Hoe zit dat? Oorspronkelijk werd in de vroege kerk de hele mis in het Grieks gezongen. Maar toen men overging tot het zingen in het Latijn, wilde men blijkbaar deze Griekse woorden erin houden. Zou dat zijn, omdat je een uitroep vanuit je hart niet zomaar overzet in een andere taal? Het is in ieder geval duidelijk, dat de mis begint met een hartenkreet – heel helder klinkt dat door in de Misa Criolla: God, dit verdriet, deze zorg, de pijn die mij zo raakt – ga er niet aan voorbij. Hier wordt wanhoop en gemis uitgedrukt, maar ook vertrouwen: God, als ik wat ik niet overzie, in uw hand leg, durf ik weer verder.

Daarom volgt op het Kyrie het Gloria. Het is de lofzang die tegen alles in blijft hopen en vertrouwen. Een overwinningslied. Het gloria begint met de woorden van de engelen in de kerstnacht: Eer aan God in de hoge en vrede op aarde voor de mensen, die God liefheeft. En er wordt dan bij gezegd, dat God ons niet op onze fouten blijft aankijken. God is machtiger dan onze tegenslag en meer dan onze onwil. Daarom zingen we een loflied.

Later in de dienst, na de bijbeluitleg, volgt dan het Credo, wat letterlijk betekent: Ik geloof. Het is goed om te bedenken, dat een geloofsbelijdenis geen opsomming is van leerstellingen, al lijkt dat misschien zo. Het is vooral een uitspreken van je vertrouwen. Je beseft hoe klein je als mens bent en zelfs als mensheid. Maar je spreekt uit, dat je gelooft, dat God toch naar je om wil zien.

Dan volgt het bijzondere moment in de dienst, dat je deel krijgt aan het brood dat verbonden is met Christus. In de Rooms-katholieke kerk wordt dat gezien als deel krijgen aan het reële lichaam van Christus. In de protestantse traditie is het verwijzend naar Christus. Maar het vieren van het avondmaal kan je wel het besef geven van een grote verbondenheid met God en elkaar.

Daarbij word je uitgetild boven het alledaagse. Je richt je op God. De eerbied van dat moment klinkt door in het Sanctus, het toezingen van het ‘Heilig’. Drie keer wordt het gezongen: Heilig, heilig, heilig. Even zie je iets van Gods glorie voor je, zoals Jesaja die zag in zijn roepingsvisioen, waar de engelen ook drie keer ‘Heilig’ zongen. (Jesaja 6:3). Ook in de synagoge wordt deze lofzang op Gods heiligheid gezongen.

Dan volgen de woorden die Jezus toegeroepen werden toen hij Jeruzalem binnenreed: Gezegend (Benedictus) hij, die komt in de naam van de Heer, (ontleend aan Psalm 118:26.)

Als brood en wijn gedeeld worden, voel je verbondenheid met elkaar en je beseft: je mag het oude loslaten en opnieuw beginnen. Bij de rondgang wordt het Agnus Dei gezongen, het ‘Lam van God’. Het is een verwijzing naar het moment, dat Johannes de Doper naar Jezus wijst en zegt: Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld opneemt, wegdraagt (Gr. airoo) (Johannes 1:26,29). Die voorstelling van wegdragen kan een gevoel van bevrijding geven: fixeer je niet op wat fout gaat, maar ga verder vanuit een nieuwe vrede die God je geeft.

Ons leven is steeds weer zoeken. En je denkt weleens met de schrijver van Psalm 43: God, doe mij recht, of je denkt van de wereld om je heen: waarom zoveel vijandigheid en mensen die gaan in het zwart. Maar lees bij die sombere gedachten dat ook hoe Psalm 43 verdergaat: God, zend mij uw licht en uw trouw, mogen die mij leiden naar uw heilige tempel, de plaats van ontmoeting. En soms met een schreeuw naar de hemel, soms met een lofzang, gaan we dan weer op weg. In vertrouwen dat het goed zal komen met ons en met onze aarde.

Zij waren buitengewoon

vriendelijk voor ons…

Preek over Psalm 133 en Handelingen 28:1-10

‘Wat is het toch goed en fijn als broers eendrachtig bij elkaar wonen.’ – zo begint Psalm 133. Je zou dat kunnen noemen: een lofzang op de verbondenheid van kinderen uit één gezin. En dat is ook werkelijk iets moois: mensen die familie zijn, die opgegroeid zijn in hetzelfde huis en elkaar veel te bieden hebben. Zoiets is overigens niet vanzelfsprekend. Er zijn ook gigantische ruzies tussen broers of zusters onderling. In de bijbel lees je regelmatig over de strijd binnen stammen. En waar je ook vaak over leest is, geruzie van mensen die die dicht op elkaar wonen en dus dezelfde belangen hebben. Weidegrond bijvoorbeeld om je schapen te laten grazen. De herders van Izaäk hadden ergens een put gegraven en water gevonden. (Genesis 26:20-22) ‘Dat water is van ons,’ zeiden de mensen van het naburige dorp Gerar. Ze noemden de put ‘Èsèk’ – ‘ruzie’. Dus groeven de herder van Izaäk een andere put. Maar ook daarover kregen ze heibel. En ze noemde die put ‘Sitnah’ – ‘Strijd’, omdat ze ook daarover een conflict hadden. Daarom probeerden ze het voor de derde keer. En nu kregen ze eindelijk geen ruzie. En ze noemden die put ‘Rechovoth’ – ‘Rehoboth’, wat betekent: ‘ruimte’, omdat ze wel voelden, dat ze nu allemaal ruimte hadden voor hun eigen schapen. Rehoboth, ‘ruime plaatsen’ – je ziet het nog wel eens staan op kerkelijke gebouwtjes.

Hoe dan ook: als je binnen een gezin het gevoel hebt, dat er ruimte is, dat je mag zijn die je bent, dan kan je dat brengen tot echte verbondenheid. Tot het besef: we staan samen sterk. Psalm 133 zegt: dat voelt zó goed – het lijkt op de geur die opstijgt als de priester zijn gezicht en baard zalft met reukolie. Het is zo prachtig als de dauwdruppeltjes die je ’s morgens ziet glinsteren op de berg Hermon. Ja, van die liefde die je als familie samenhoudt gaat levenskracht uit, een gave van God voor altijd.

Indrukwekkende poëtische woorden. En we kunnen er ook iets van navoelen, misschien ook wel in de kerk waar we tenslotte ook broers en zussen zijn, in de diepere zin van het woord. Wat is het niet geweldig om mee te maken, dat die mensen die je ’s zondags ontmoet, ook met je meeleven bij ziekte, of als je iemand verloren hebt aan de dood. Wat kun je ook niet samen een plezier beleven, of in aanwezigheid van elkaar ontroerd zijn. Je geeft – en je krijgt soms zoveel van elkaar terug. Dat is de waarde van liefde tussen broers, broers en zussen. Fil-adelfia is dat in het Grieks. In de oudheid was er, in wat nu Turkije is, zelfs een stad die zo heette: Filadelfia, broederliefde. In Amerika heeft William Penn – geïnspireerd door de bijbel (Openbaring 3:7) – veel later die naam ook aan een stad gegeven. Hij kocht daar land van een plaatselijke stam, sloot vriendschap met hen en noemde de plaats Philadelphia, broederliefde.

Nu is het mooi om veel aan elkaar te hebben als gezin of familie, als leden van één kerkgemeenschap. Maar Jezus stelt daar toch een kritische vraag bij: als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? (Mattheus 5:47). Het gaat juist om dat overtreffende (Gr. perissos) het overstijgende, meer dan het gewone. En dat is dus: verder kijken dan je eigen groep en juist de waarde zien van wie anders is.

Naast dat mooie Griekse woord Fil-adelfia komen we in de bijbel het woord Filo-xenia tegen (Romeinen 12:13). Dat woord kunnen we gemakkelijk herleiden als we denken aan de Xenos. Bij de Xenos in Arnhem worden allerlei producten verkocht uit vreemde landen. Xenos is dan ook het Griekse woord voor dat wat ‘vreemd’ is in de zin van ‘buitenlands’. En ook betekent het: vreemdeling. En zoals Filadelfia betekent ‘liefde tot de broer of zus’, zo betekent Filo-xenia letterlijk: ‘Liefde tot de vreemdeling’. Maar – opvallend genoeg – wordt het woord meestal vertaald met ‘gastvrijheid’.  Alleen: deze gastvrijheid is zeker meeromvattend dan de hartelijkheid naar je eigen vrienden. In Hebreeën 13:2 lezen we: En houd de gastvrijheid – de liefde tot de vreemdeling – in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen. Dat laatste zal wel overdrachtelijk bedoeld zijn, maar het zegt wel iets: als je echt gastvrij naar buiten toe bent, kun je heel bijzondere ontmoetingen hebben. Als je probeert de ander in zijn anders-zijn lief te hebben kan er ook in je eigen leven heel wat veranderen, in positieve zin.

Het brengt ons bij het verhaal van de schipbreuk van Paulus. Hij wordt met een aantal gevangenen naar Rome gebracht op een schip. Maar er steekt een geweldige storm op. De bemanning wil er met een sloep tussenuit knijpen, maar daar steken de soldaten een stokje voor. Ze snijden de touwen door, zodat de sloep wegdrijft. De soldaten willen vervolgens de gevangenen doden om te zorgen dat ze niet kunnen ontsnappen, maar dat houdt de hoofdman tegen, want die wil dat Paulus veilig in Rome aankomt. Het schip vergaat door de storm, maar de mensen komen zwemmend of met behulp van een stuk wrakhout aan land. Waar zijn ze? Het blijkt het eiland Malta te zijn. Daar zullen ze wel niet op zo’n stelletje drenkelingen zitten te wachten. Maar er gebeurt iets wonderlijks: De plaatselijke bevolking gedraagt zich buitengewoon vriendelijk: ze verwelkomen hen en steken een vuur aan omdat het was gaan regenen en het koud was. Dat is nog eens ‘liefde tot de vreemdeling’. Maar die liefde wordt wel op de proef gesteld, want er gebeurt iets ontzettends. Terwijl Paulus hout op het vuur wil gooien, wordt hij gebeten door een gifslang. Een enorme schrik! Even denken ze: dat is vast en zeker een straf van Dikè, de godin van de gerechtigheid. Die Paulus zal wel een misdaad begaan hebben. Maar er gebeurt niets bijzonders. En dan denken de mensen van Malta: Hij moet wel een god zijn?

Niet ver daarvandaan woont de gouverneur van het eiland, een zekere Publius. Hij laat Paulus en de anderen bij zich komen en verleent hun drie dagen lang bijzondere gastvrijheid. Dat is echt liefde tot deze vreemdelingen. Zulke liefde maakt ook iets los. Waar een gastheer ruimte geeft, wordt hij vaak ook zelf toegelaten tot de ruimte en de wereld van de gast. De gastheer wordt dan gast. Publius ontvangt Paulus, maar Paulus hem laat delen in zijn wereld van vertrouwen op God. Paulus toont zich begaan met de vader van Publius en geneest hem en ook andere zieken op het eiland. Het blijkt een zegen te zijn om te delen in elkaars werelden.

Dit meeslepende verhaal heeft een vervolg in onze tijd: Op Malta zoekt men als kerken elkaar op. Er zijn projecten waarbij men samen zieken en ouderen bezoekt. In deze week van gebed ontvangt de katholieke aartsbisschop mensen uit de andere kerken. En de president van Malta nodigt elk jaar de kerkleiders uit voor een rondetafelgesprek en een kerstmaaltijd: Liefde voor de ander over grenzen heen. We kunnen het leren van Malta.

Wij, in Oosterbeek, zijn hier vanmorgen ook bij elkaar uit alle kerken. Dat is iets bijzonders – het is niet vanzelfsprekend. Meestal zijn we, als we naar de kerk gaan, bijeen met onze eigen broeders en zusters. Daar wordt de verbondenheid beleefd. Niet altijd overigens, want broers en zussen onderling hebben het ook niet altijd goed. Maar vaak kun je in je eigen geloofsgemeenschap iets beleven van de filadelfia, de broederliefde. Het bijzondere van vanmorgen, in deze oecumenische dienst, vind ik, dat het gaat om méér dan dat gewone, het overstijgende, de filoxenia, de liefde tot de ander die je nog vreemd is: Een bijzondere gelegenheid om elkaar te verrijken. Gastheer en gast van elkaar zijn. Protestanten kunnen hier van katholieken leren wat schoonheid van een kerkgebouw inhoudt en hoe waardevol en warm rituelen zijn en hoe de gewijde sfeer van de ruimte je ook innerlijk kan veranderen. Katholieken kunnen van protestanten leren wat de waarde is van veelvuldige gemeentezang en van de uitgebreide bezinning op bijbelteksten. Als we allemaal hetzelfde waren, zou de wereld er eenvormig uit gaan zien. Juist door de ontmoeting met de ander kunnen we, ook in onszelf, nieuwe gebieden ontsluiten, nieuwe manieren van denken ontwikkelen.

En dat geldt ook voor de grote wereld om ons heen. Dat geldt naar vluchtelingen toe, naar mensen in een subcultuur, of aanhangers van een andere levensfilosofie. Als we belangstelling en liefde hebben tot wie vreemd is of anders denkt dan wij, maken wij ons eigen leven dieper en rijker. En we scheppen meer begrip, en vrede in de wereld. Om het te zeggen met een variant op Psalm 133: Wat is het toch goed en fijn als mensen van allerlei afkomst eendrachtig bij elkaar wonen… Daar geeft de Eeuwige zijn zegen: zo ervaren mensen altijd weer hoe mooi het leven is.

Fakkels tegen machtsvertoon

Preek over Rechters 7:13-22a en Openbaring 3:7-8a

Inleiding

Spierballentaal – dat is waar we dagelijks mee geconfronteerd worden in de uitspraken van wereldleiders als Trump, Poetin, Kim Jong-un. En niet alleen hun taal drukt macht uit, ook hun daden: ze zijn meedogenloos en gericht op het handhaven hun invloed. Vanmorgen staat het verhaal van Gideon centraal: Het begint ermee, dat hij de beelden van Baäl en Asjera neerhaalt – symbolen voor de machten waarmee mensen de wereld willen beheersen. Hij overwint vervolgens de vijand, Midjan, door een bizar klein legertje met fakkels en kruiken. Het leert ons: Ook als je weinig invloed hebt, maar wel trouw bent, gaan er deuren voor je open.

Preek

Spierballentaal – dat is waar we dagelijks mee geconfronteerd worden. Taal van de grote wereldleiders als Trump, Poetin, Kim Jong-un, Johnson. En niet alleen hun taal drukt macht uit, ook hun daden: in veel gevallen zijn ze meedogenloos en gericht op het handhaven en uitbreiden van hun invloed. Je kunt je erdoor geïmponeerd voelen en tegelijk roept het ook weerzin en irritatie op.

Wanneer we de geschiedenis nagaan is er eigenlijk niet zoveel veranderd. De hang naar overwicht is van alle tijden. Daarover doordenkend kun je eigenlijk zeggen, dat er twee krachten steeds in de mensheid zo dominant aanwezig zijn, dat ze vroeger als goddelijke machten werden vereerd. De eerste is de kracht van oorlog, geweld, dominantie: het vermogen om anderen aan je te onderwerpen en klein te krijgen. We herkennen het nog dagelijks op tv bij de bestuurders van onze wereld. De tweede kracht heeft te maken met vruchtbaarheid, maar ook met aantrekkingskracht, schoonheid, erotiek. Ook daarvan zien we genoeg in de media. En het zijn vooral die twee krachten die uitgebeeld werden in enerzijds hemelgoden en oorlogsgoden en anderzijds in moedergodinnen, vruchtbaarheidbeelden en godinnen van schoonheid. In Kanaän, het gebied waar het volk Israël woonde, waren rond het jaar 1200 voor Christus overal beelden in het land die de macht en de vruchtbaarheid moesten bevorderen. De belangrijkste mannelijk god was Baäl.  Soms wordt hij afgebeeld met een oorlogshelm, soms ook met horens of een stierenkop. Want een stier heeft een grote potentie en een enorme kracht.  De aanbidding van Baäl ging niet alleen gepaard met de erotische praktijken van vruchtbaarheidscultussen, maar er werden zelfs kinderen geofferd aan de Baäl Moloch. En de aanbidders van Baäl sneden zichzelf tijdens de cultus soms met zwaarden en speren. De vrouwelijke tegenhanger van Baäl was Astarte of Asjera een vruchtbaarheidsgodin die zichtbaar gemaakt werd door het plaatsen van een heilige boomstam: een Asjera-paal.

Dit moet je allemaal niet willen – was de overtuiging die opkwam in Israël. Vanmorgen hebben we een verhaal over de wonderlijke overwinning van Gideon op de Midjanieten gelezen.  Voorafgaand aan dit bijbelgedeelte gaat het over de opdracht aan Gideon om de symbolen van macht en vruchtbaarheid teniet te doen. Het begint heel opmerkelijk: Gideon is op een plekje achteraf, onder een boom, wat tarwe aan het dorsen. Bang, dat het anders opgemerkt wordt door een van de roofbendes van Midjan, die het land al zeven jaar plunderen. Dan verschijnt er plotseling een bode van de Eeuwige. ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ – zegt hij. Gideon is verbaasd en begint met klagen: Waarom heeft God, die ooit het volk bevrijdde uit Egypte ons overgeleverd aan de rovers uit Midjan. Het antwoord is: Laat jij nu eens wat moed zien en bevrijd Israël. Maar Gideon is eigenlijk helemaal geen held, eerder een tegenheld, en hij begint direct uitvluchten te zoeken: Ik? Israël bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.’  

God trekt zich daar niets van aan, want dat is nu precies waar het hier over gaat: de kracht van deze onbetekenende man tegenover al die krachten en machten die de dienst lijken uit te kanen. Gideon, al lijk je niets voor te stellen, begin maar met het neerhalen van het altaarbeeld van Baäl in de tuin van je vader, hak de heilige Asjerapaal om en dood de imposante stier die er rondloopt. Breng op die plek een offer aan de Eeuwige.

Gideon is bang en durft dat niet overdag te doen, dus het gebeurt in het holst van de nacht. Maar natuurlijk komt uit wat er gebeurd is en iedereen is kwaad. Maar… zijn vader neemt het voor hem op en zegt: ‘Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.’ Je vraagt je dan natuurlijk wel af: Had Gideons vader dan een beeld in zijn tuin staan, waar hij zelf niet in geloofde?

Het verhaal gaat verder met de echte uitdaging voor Gideon. Alle mensen in zijn omgeving kreunen onder de terreur van de roofzuchtige Midjanieten. Als een zwerm sprinkhanen maakt dit woestijnvolk het land onveilig en het vreet alles op. God had gezegd: Verlos je volk van deze plaag! Maar hoe doe je dat? Net zoals het neerhalen van het altaar van Baäl? Gewoon doen? Gideon is bang. Het is bijna aandoenlijk om te lezen hoe hij van God allerlei merkwaardige bevestigingen verlangt: ‘God, ik leg hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ En de volgende dag verlangt hij, dat de wol juist droog zal zijn, maar de grond nat van de dauw. Ik denk dat dit soort gesjoemel met God sterk de kant uitgaat van bijgeloof; zoals kinderen soms bang zijn om op de zwarte tegels te stappen en niet op de witte. Het laat vooral iets zien van de menselijke angst. Maar binnen deze vertelling over Gideon heeft het wel een functie, want Gideon moet, net als wij allemaal door een leerproces heengaan. Hoeveel zekerheid vooraf heb je nodig om te gaan doen wat moet gebeuren? Diep in ons leeft het idee, dat je alleen kunt winnen door overmacht en door het intimideren van je tegenstander. Weer zien we de beelden voor ons van Trump, Poetin, Kim Jong-un.  En we herkennen alle Baäls in onze eigen wereld. Maar dit verhaal leert ons dat het anders is dan wij vaak denken. Als Gideon een hele legermacht van 32.000 man opgetrommeld heeft, zegt God: ‘Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd.’ Dat is veelzeggend. Waar het dus om gaat is: van dit soort overmacht moet je het niet hebben. En wat gebeurt er? Iedereen die diep in zijn hart bang is, mag naar huis vertrekken. Daar verdwijnen 22.000 mannen als sneeuw voor de zon. Maar het leger is nog te groot. God zegt: laat de mannen water drinken: Dat gebeurt. Sommigen slokken het water naar binnen. Een veel kleine groep – 300 man – likt het water op, zoals honden dat doen. Alleen die laatste 300 man mogen blijven. Wat moet je nou met 300 man tegenover een geweldige legermacht van Midjanieten. Gideon is doodsbang. ’s Nachts sluipt hij door het vijandige kamp en dan hoort hij hoe een man in een van de tenten een merkwaardige droom aan zijn maat vertelt: Een gerstebrood rolde onze legerplaats binnen tot aan de tent en gooide de tent omver, zodat die in elkaar stortte. Gekke droom, hè. Gideon wist genoeg. Een broodje kan een tent omverstoten. Hij deelde zijn minilegertje in drie groepen en gaf iedere man een hoorn, een kruik en een fakkel. En toen, midden in de nacht sloegen ze de kruiken stuk, bliezen de hoorns, zwaaiden met hun fakkels en riepen: Voor de Heer en voor Gideon! Het is bijna een carnavalesk vertoon. De Midjanieten sloegen in de chaos van de nacht wild om zich heen, doodden elkaar en vluchtten weg. Ze werden achtervolgd en verdreven. En veertig jaar lang was er daarna rust in het land. (Rechters 8:28) De mensen vroegen: wilt u geen heerser over ons worden en uw zoon en kleinzoon. Maar Gideon zei: Ik ga niet over jullie heersen en ook mijn zoon niet. De Eeuwige zal over jullie heersen. (Rechters 8:23).

Als we over dit verhaal nadenken, zal het zeker verwondering oproepen: een hoop gedoe in de nacht – lawaai van kruiken die stukgeslagen worden, mannen die met fakkels zwaaien – en de vijand slaat op de vlucht. Ging het maar zo gemakkelijk. Maar het draait er uiteindelijk om, dat we de diepere zin van dit verhaal vinden. Door welke machten wordt onze wereld beheerst en wat betekent het om tot de Gideonsbende te behoren? De drang om te overheersen, te bezetten, te verleiden, te bezitten lijkt alles in onze wereld in zijn greep te hebben. Niet alleen fysiek, maar ook in ons denken en voelen. In de berichtgeving, in de media. Soms denk je: tegenover al het strategische, politieke en economische geweld moet tegengeweld komen en tegenover de hang naar bezit en overheersing moeten we ons wapenen. Maar hoe? De kerk in Oosterbeek is klein tegenover alle inwoners, Oosterbeek zelf is een bescheiden dorp in Nederland. Nederland is een tamelijk onbetekenend land in de wereld. Maar het verhaal van vanmorgen leert ons: de kracht kan ook zitten in kleine initiatieven en daarin trouw zijn. In december liepen we weer met een klein groepje fakkeldragers van het raadhuisplein naar de Bernulphuskerk en weer terug: om als Amnestygroep aandacht te vragen voor wie om politieke redenen gevangengezet zijn. Wat stelt het voor. Het was bijna letterlijk een Gideonsbende met die fakkels. Toch doen we het samen met duizenden andere groepen, overal in de wereld. Het is een teken van verzet.

In Filadefia in Klein-Azië had de christelijke gemeenschap indertijd ook weinig in te brengen. Maar ze waren trouw in het kleine. En we lezen in het boek Openbaring: Voor jullie is een deur opengezet. Want ook al hebben weinig invloed, jullie zijn trouw gebleven aan wat ik heb gezegd.  Wij kunnen de wereldproblemen niet zomaar de baas, en alle geweld en bezitsdrang in de mensheid verander je ook niet zomaar. Dat is te groot. Maar je kunt wel zelf, of in kleine groepen met elkaar opkomen voor meer recht, vertrouwen doorgeven, ongelijkheid bestrijden. En ook zo gaan er deuren open.

Weg uit de woestijn

Preek over Numeri 13 en 14 en Hebreeën 11:1-2, 30

Inleiding

De weg naar voren vraagt moed. Vaak willen mensen terug naar ‘de vleespotten van Egypte’. Nu kan het verleden zeker grote waarde hebben, maar laten we ons er niet te veel aan hechten. We moeten verder. Juist rond de jaarwisseling realiseer je je: er ligt nieuw land voor ons. En ook wat ons moeilijk toelijkt zullen we wel de baas worden. Wezenlijk is een houding van hoop en vertrouwen. Dietrich Bonhoeffer schreef tijdens de oorlog, die hij niet zou overleven: Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar, zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven, en met u ingaan in het nieuwe jaar.

Preek

Je hoort er regelmatig van in de klimaatdiscussies: verwoestijning. Terwijl sommige gebieden in de wereld te maken hebben met plotselinge grote hoeveelheden water, lijden andere regio’s aan een enorm tekort.  De temperaturen in de laatste gebieden kunnen geweldig oplopen. De omvang van deze streken wordt steeds groter. En de leefbaarheid voor planten dieren en mensen hangt er aan een zijden draad. Als je de afbeeldingen ziet van uitgedroogde karkassen van dieren en uitgemergelde mensen kun je een gevoel van afschuw niet onderdrukken. Dat is dus de woestijn.

Ik moest hieraan denken bij de verhalen die we zo goed kennen uit het Oude Testament. De tocht van de Israëlieten: bevrijd uit Egypte, op weg naar het beloofde land. Die woestijnervaring is dus de ellende die ze meemaakten toen ze tegen Mozes riepen: ‘Geef ons te drinken, geef ons water! Waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd? Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?’ (Exodus 17:2-3)

En tegelijkertijd moet ik aan onze eigen wereld denken. Aan de toenemende verwoestijning, de mislukte klimaattop in Madrid, de vervuiling en de stikstofcrisis, de oneerlijke verdeling van gelden. En dan hebben wij het hier in Europa in het algemeen nog heel goed. Maar ik denk aan een filmpje dat ik gezien heb over de katoenboeren in India. Ze worden genoodzaakt om met zaadsoorten te werken die door multinationals geleverd worden, maar in de gegeven omstandigheden lukt het niet meer om daarmee voldoende opbrengst te halen. Armoede en soms zelf suïcide is het gevolg. Ook in onze wereld laat de woestijn zich gelden: soms in letterlijke zin, maar ook overdrachtelijk in de vorm van onleefbare sociale omstandigheden.

Wat gebeurt er als de onherbergzaamheid van de woestijn om je heen steeds groter wordt? Dan slaat de stress toe. Want alle leven wil overleven en als de vitale mogelijkheden aangetast worden, ontstaat er paniek. Je denkt: ik red het niet meer. Nu moeten anderen mij helpen. Het gevolg is: protesten en heftige emoties. Je partners en vrienden moeten het ontgelden. De overheid wordt aangeklaagd. Met borden en spandoeken trekken we op…

Er is niets nieuw onder de zon. In het boek Exodus lezen we over het volk Israël: Daar, in de woestijn, begon het volk zich opnieuw te beklagen. ‘Had de HEER ons maar laten sterven in Egypte,’ zeiden ze tegen Mozes en Aäron, ‘daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.’ (Exodus 16:2-3)

In deze tekst valt, naast het gemor tegenover de leiders, nog iets op: Het terugverlangen naar vroeger. Dat is ook heel menselijk. Als je bang bent en je weet niet hoe het allemaal verder moet, dan wil je terug. Een verschijnsel dat ‘regressie’ heet in de psychologie. Je verlangt terug naar toen je jonger was en alles nog kon en soms ga je je ernaar gedragen. Dat wijst niet op een gezonde mentaliteit, maar in momenten van zwakte gebeurt het wel. Soms gaan mensen weer kinderlijk gedrag vertonen. Maar het is een vlucht. En toch denken wij misschien allemaal wel eens: Was het maar weer zoals vroeger. We herinneren ons gezellige familieavonden, pakjesavonden met kleine kinderen – of zelfs de momenten dat we zelf die kleine kinderen waren. Kerstbomen die tot in de hemel groeiden. Chocola en sinaasappels. En mogelijkheid vooral: de goede en lieve mensen om ons heen die we missen. Maar laten we wel bedenken, dat de tijd alles bedekt met een laagje goud. Misschien was het eigenlijk toen niet zo mooi als we het ons nu herinneren. Het volk in de woestijn klaagde: Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. Maar blijkbaar zijn ze de zwepen van de slavendrijvers vergeten. Egypte was immers ook het slavenhuis waaruit ze verlost waren. Terugverlangen naar vroeger blokkeert dan ook de weg naar de toekomst.

Vandaag op de grens van het Oude en het Nieuwe Jaar bevinden wij ons in een leegte. Je kunt het een beetje vergelijken met de woestijn. Achter ons is een heel verleden: situaties, personen en dingen die ons dierbaar waren. Soms zou je terug willen. Ook waren er de lastige dingen, waaraan je liever maar niet meer terugdenkt. Om je heen is de leegte en stilte van het moment. Nu zal ons leven zal niet alleen woestijn zijn in de zin van dreiging en onherbergzaamheid. Er is gelukkig vaak ook genoeg om van te genieten. Maar toch leven we wel in een wereld van vragen: onzekerheid, agressie, uitbuiting, smeltende ijskappen, vervuiling. En soms ook letterlijk: verwoestijning. En we hebben ook te maken met onze eigen vragen: over ziekte en gezondheid, heimwee en gemis. En met dat alles in het hoofd gaan we het nieuwe jaar tegemoet.

De bijbel schildert ons hoe het volk in de woestijn op weg was. Ze hadden het moeilijk, wilden soms terug, maar toch hadden ze ook een doel: het beloofde land. Vanavond hebben we gelezen over de verkenners die al vast vooruitgestuurd waren. Ze komen terug uit het bijzondere land. En ze hebben iets meegenomen: een geweldige druiventros. Zo zwaar, dat hij aan een grote stok tussen twee mannen in getild moet worden. Zo beloftevol is het nieuwe land. Maar de verkenners hebben ook iets te vertellen: ‘Alle mensen die we in dit land gezien hebben, waren uitzonderlijk lang. We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn.’ (Numeri 13:32-33).

Dan volgt er een totale omslag: de grote ontmoediging. De mensen raken in verzet en paniek. En natuurlijk richt de agressie zich op Mozes en Aaron: ‘Waren we maar in Egypte gestorven, of hier in de woestijn. Waarom brengt de HEER ons naar dat land? (…) We kunnen beter teruggaan naar Egypte. (…) Laten we een leider kiezen en teruggaan naar Egypte.’ (Numeri 14:2-4) Als je de toekomst niet aandurft blijf je vluchten naar het verleden. Gelukkig weten Jozua en Kaleb hen uiteindelijk op andere gedachten te brengen.

Ik vind dit een bijzonder verhaal met het oog op ons. Op een markant moment als oudejaarsavond sta je zelf voor de keus: hoe kijk ik tegen de toekomst aan. Hecht ik mij aan het verleden? Maar hoe dierbaar dat ook was – of juist niet: Resultaten behaald in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Je moet verder. Soms zie je problemen voor je als onneembare vestingen. Soms ook kijk je tegen anderen aan als waren ze reuzen. En zelf voel je je een nietige sprinkhaan. De toekomst is beloofd land, maar angst kan je weerhouden om verder te gaan.

Tegenover die angst staat geloof, vertrouwen. In Hebreeën 11 lezen we, dat dat vertrouwen een grondslag in je is. Het is de basis van wat je hoopt, maar nog niet kunt zien.  Daarmee word je aangemoedigd om de toekomst tegemoet te gaan met als diepe overtuiging, dat het goed komt. Laten we zo het Nieuwe Jaar ingaan. Als ik het in een beeld zeg: ieder mens kent zijn eigen ‘Jericho’. Ik bedoel daarmee: al die dingen die je niet in de hand hebt en waartegen je opziet. Maar soms moet je zeven keer om de vragen en de problemen heentrekken, zoals Israël om Jericho. En dan kunnen muren instorten. Je overwint wat je erg moeilijk vindt.

Waar het op aankomt is vertrouwen. Vertrouwen en geloof: Het besef dat je omringd bent door liefdevolle mensen. Het geloof ook, dat God met je meegaat en je er niet alleen voorstaat.

Het is precies 75 jaar geleden, dat de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer het Nieuwe Jaar tegemoet ging. Hij besefte dat het mogelijk zijn laatste jaar zou zijn en dat werd het ook. Maar hij dacht aan zijn verloofde, zijn ouders en zijn vrienden. En hij wist dat God hem omgaf. Zo ging hij de toekomst tegemoet wat die ook zou brengen. Hij schreef aan de mensen die hem lief waren: Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar, zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven, en met u ingaan in het nieuwe jaar.

Zo gaan ook wij onze weg, al is die niet te vergelijken met die van Bonhoeffer. Toch geldt ook voor ons dat er een leegte kan zijn, woestijn om je heen, angst om de stap naar de toekomst te zetten. En dat heb ik het niet alleen over ons persoonlijk, maar ook over onze samenleving en onze wereld. Dan komt het aan op die grondslag van geloof in je, die de basis is van wat je hoopt. De toekomst heb je niet in de hand, maar je kunt je er wel in vertrouwen aan toevertrouwen, vanuit het besef, dat je omringd bent door goede machten. Om het nogmaals met woorden van Bonhoeffer te zeggen: In goede machten liefderijk geborgen, verwachten wij getroost wat komen mag. God is met ons des avonds en des morgens, is zeker met ons elke nieuwe dag.

De mens – een bedenkelijk wezen…

preek over Psalm 8 en Mattheus 21:14-16

Inleiding

Was de schepping van de mens wel een goed idee? De Vredesengel was erop tegen., omdat de mens oorlogszuchtig zou zijn. De engel van de Waarheid wilde het evenmin, omdat de mens een leugenaar is. Maar de Liefdesengel was voor, omdat hij wist, dat de mens ook in staat is tot liefhebben. Toen overwoog God: Als ik de mens schep zullen er bozen uit hem voortkomen, maar als ik hem niet schep, hoe zullen er dan rechtvaardigen uit hem voortkomen? En wat deed Hij? Hij dacht niet meer aan de weg van de bozen en maakte barmhartigheid tot zijn gezel. Zo schiep God de mens.

Psalm 8 stelt de mens voor als nietig in het heelal, maar toch ‘bijna als God’. Van God wordt gezegd, dat hij zijn kracht vindt in het geluid van kinderen – zo weerstaat hij het geweld van mensen die alles kapotmaken. Dat roept ons op tot een houding van openheid en liefde.

Preek

Was het wel zo’n goed plan van God om de mens te scheppen?  Daarover kun je van mening verschillen. Er is een verhaal waarin gezegd wordt, dat God van tevoren overleg pleegde met de Vredesengel. Die was erop tegen, dat de mens geschapen zou worden, omdat hij oorlogszuchtig zou zijn. God overlegde ook met de engel van de Waarheid. Maar die wilde evenmin dat Adam geschapen werd, omdat de mens een leugenaar is. Er waren ook engelen die er niet op tegen waren, zoals de Liefdesengel, omdat die wist, dat de mens ook in staat is tot liefhebben. Zo raakte God in tweestrijd. Toen overwoog hij: Als ik de mens schep zullen er bozen uit hem voortkomen, maar als ik hem niet schep, hoe zullen er dan rechtvaardigen uit hem voortkomen? Wat deed de Eeuwige toen? Hij dacht niet meer aan de weg van de bozen en maakte barmhartigheid tot zijn gezel. Zo schiep God de mens. (Piet van Boxel: Je zult achter de Heer je God aanwandelen. p.12-13)

Een prachtig Joods leerverhaal, dat ons duidelijk maakt hoe riskant het is, dat wij mensen de aarde bevolken. We ervaren dat zelf elke dag weer: Wij maken elkaar soms het leven onmogelijk, we vernietigen – voor onze eigen welvaart – de rijkdom van de natuur. Sterker nog: we gaan zover, dat we ons eigen voortbestaan in de waagschaal leggen. Blijkbaar hebben veel mensen daarbij subtiele redeneringen en mechanismen ontwikkeld om zo veel mogelijk hun eigen hachje te redden en de gevolgen voor de rest van de wereld uit hun hoofd te zetten. Als dat ook de opstelling is van de wereldleiders wordt het wel erg gevaarlijk.

Hoe kon het zover komen? We lezen in het begin van de bijbel, dat God ziet dat zijn scheppingswerk zeer goed is. Met zo’n uitspraak wordt gezegd: in principe kun je als mens positief en constructief in het leven staan en het goede doen. Maar kort daarop volgt het verhaal van de zondeval. Dat verhaal weerspiegelt wat we in onze werkelijkheid tegenkomen: egoïsme, elkaar de schuld geven, broedermoord. Dan doet zich de vraag voor: als alles zo goed kan zijn, maar je ziet toch dat mensen het elke keer weer verprutsen, wat moet je daar dan mee? Het verhaal van de zondvloed geeft daarop een antwoord, maar in dat antwoord zit wel een eigenaardige wending. Eerst lezen we: De Eeuwige zag dat alle mensen op aarde slecht waren. (…). Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij. (Genesis 6:5-7) En zo gebeurt het. Alleen Noach en zijn familie blijven over. Maar als de aarde dan door de zondvloed schoongespoeld is, trekt God een wonderlijke conclusie: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. (Genesis 8:21) Je zou zeggen: God is met zijn poging om het kwaad uit te roeien niet veel opgeschoten. Anders gezegd: De mens is en blijft een dubbelslachtig wezen: hij houdt de negatieve en vernietigende kanten. Maar daar moet je je niet door laten afschrikken. Hij heeft ook die andere kant. Of, zoals we in het Joodse leerverhaal gehoord hebben: De Eeuwige dacht niet meer aan de weg van de bozen en maakte barmhartigheid tot zijn gezel. Het gaat dus ook voor ons om die blik van barmhartigheid: Onderken maar wat er allemaal is aan verzet, agressie, dreiging, zelfzucht. Natuurlijk zul je er zelf ook weleens boos of bang of teleurgesteld van worden. Maar probeer die onvolmaaktheid te doorleven. Zoek elke keer weer ruimte en openheid. Maak een barmhartige blik tot je metgezel. Zou er een liefde mogelijk zijn, die weigert zich te laten teleurstellen – die blijft geloven en verwachten?

De mens blijft een tegenstrijdig wezen in het wonderlijke bestaan.

Psalm 8 geeft een beeld van de mens als onderdeel van de schepping. En daarin wordt op een indrukwekkende manier zijn ambivalente karakter geschilderd. Eerst wordt hij getekend in zijn nietigheid. Psalm 8 begint dan ook niet bij hem, maar start vanuit de grootheid van het al en de onmetelijkheid van God als bron van het bestaan: HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde. U die aan de hemel uw luister toont. Die hemel wordt genoemd: het werk van Gods vingers; de maan en de sterren zijn door hem daar bevestigd. Als je denkt aan sterrenstelsels die duizenden lichtjaren weg staan, als je stilstaat bij de eindeloos doorgaande tijd, de eeuwigheid, dan duizelt het je allemaal. God wordt in Psalm 8 met dat allesomvattende verbonden. En dan staat daar die kleine mens. Wat stelt hij in dat onmetelijke heelal voor? Zelfs al zou hij de prachtige aarde vernietigen – God verhoede het – dan nog draaien die sterrenstelsel en spiraalnevels wel door. Wat is die mens waard? Waarom zou God naar ons omzien?

Toch – zo zegt deze Psalm – hebt u hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, hem toevertrouwd het werk van uw handen en alles aan zijn voeten gelegd: schapen, geiten, velddieren vogels, vissen. Soms, als je de praktijken in de slachthuizen ziet en de vervuiling van de zee, denk je: we kunnen die verantwoordelijkheid niet aan, of: we willen er niet aan.

Een chassidische uitspraak herinnert ons eraan dat ieder mens met twee zinnen op zak moet lopen. De ene zegt: ‘Je bent slechts stof en as’, de ander zegt ‘voor jou mens is de hele wereld geschapen’. Als wij ons eens zouden realiseren hoe klein wij zijn – stof en as – dan zouden we misschien iets meer huiver voelen voor de pracht en de waarde van alles wat is: dat onvervangbare, kwetsbare leven. Het is er voor jou, maar het is wel kostbaar.

Hoe zou die mensen als schepsel van God moeten leven? Daarvoor geeft Psalm 8 een richting aan. Je gaat er iets van begrijpen als je nagaat waar God, de bron van alles, zelf zijn kracht aan ontleent. We lezen: Met de stemmen van kinderen en zuigelingen bouwt u een macht op tegen uw vijanden om hun wraak en verzet te breken. (Psalm 8:2). Een fascinerende, maar ook wel duistere tekst.

Eeuwen later haalt Jezus deze tekst aan. (Mattheus 21:14-16). Hij is dan in de tempel. Alle mensen die uit waren op eigen gewin, heeft hij verdreven. Er is nu een diepe serene stilte. Blinden en lammen komen naar hem toe en hij geneest hen. Kinderen beginnen te zingen: Hosanna, zoon van David. De hogepriesters en de schriftgeleerden worden erg kwaad en zeggen verwijtend tegen Jezus: Hoort u wat ze zeggen? En dan haalt Jezus Psalm 8 aan en antwoordt: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen”?’ In Psalm 8 staat er zelfs bij: als macht tegen uw vijanden om hun wraak en verzet te breken.

Ik lees het zo: God die verbonden is met de grootheid en macht van het heelal, zoekt zijn kracht niet waar wij mensen het zo vaak zoeken: in beheersing en onderdrukking, zelfzucht en uitbuiting. Nee, zijn kracht ligt in de prilheid en de onschuld, het spontane van de kinderstem. Dat is een onschuld, die overigens niet naïef is, maar wel onbevangen.

Het gaat om een levenshouding die er niet op uit is om alles naar zijn hand te zetten, maar die juist zijn hand opent in ontvankelijkheid. De kracht van God is, dat hij de mens niet afzweert, maar zegt: ik ken je zwakheid, maar ik ga toch met je verder. Het is de gezindheid die je bij Jezus tegenkomt: hij bleef aanwezig, ook waar hij niet werd begrepen. Hij drong zich niet op, maar nodigde wel steeds weer uit. Het vraagt een geweldige kracht om dat vol te houden, om je niet te laten meeslepen door de agressie of weerzin of paniek van anderen, maar om rust en vertrouwen te bewaren. Het brengt me opnieuw terug bij het leerverhaal waarmee we begonnen: God dacht niet meer aan de weg van de bozen en maakte barmhartigheid tot zijn gezel. Zo schiep hij de mens. Speels gezegd: God zette alles wat mensen verkeerd doen en kapot kunnen maken even uit zijn hoofd. Niet uit naïviteit, maar om het zwaartepunt ergens anders te leggen: bij de barmhartigheid. Jezus zei: God is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. (Lucas 6:35-36)

Er moet een levenshouding zijn van openheid: meegaan met de ander en tegelijkertijd dingen voorzichtig ombuigen in de richting van het goede, het opbouwende, dat wat heilzaam is: volhouden in liefde tegen weerstand in, in barmhartigheid. En zo kun je een macht vormen tegen tegenstanders, zo kun je op een positieve manier wraak en verzet breken.

Laten we niet naïef zijn. Laten we ons bewust zijn van alle kwaad en dreiging in onze wereld, ook van criminaliteit, aantasting van het milieu, onrechtvaardigheid in politiek en bestuur. Maar als je gelooft, dat Gods naam machtig is op heel de aarde, vertrouw dan ook op de kracht die hij opbouwt uit wat klein en weerloos is, ook uit onze handen.

Plaats voor jou…

Preek over Jesaja 42:1-6a en Lucas 2

Inleiding

Het eerste dat mij raakt in de manier waarop Lucas het geboorteverhaal van Jezus vertelt, is dat er geen plaats voor hem was. Dat werkte door in zijn leven. Toen hij volwassen geworden was, zei hij: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar ik kan mijn hoofd nergens te ruste leggen.’

Toen werd hijzelf degene die opkwam voor mensen die geen plaats kregen. Daarmee sloot hij aan bij het oude geloof van Israël: God geeft ruimte aan een slavenvolk in Egypte; de ‘Knecht van de Eeuwige’ zorgt dat het flakkerende vlammetje oplicht.

Jezus maakte dit alles concreet in de aandacht voor mensen die geen plek hadden: een gehandicapte vrouw, een man die al 38 ziek was en een vrouw die gestenigd dreigde te worden. Het is aan ons om, in zijn lijn, ruimte te geven aan wie geen plaats krijgen en aan het kwetsbare leven op onze aarde.

Preek

In gedachten gaan we ruim een week terug. De klimaatconferentie in Madrid is afgelopen. Bedeesd meldt de voorzitster de resultaten: Het is onvoldoende zo. De teleurstelling is groot. In de eerste plaats als het gaat om de belangen van de kwetsbare natuur op aarde. Wie zal het daarvoor opnemen. Er moet nog maar eens een plekje voor opgenomen worden in de agenda van de toekomst. En dan de arme landen. Zij konden geld krijgen voor wat de rijke landen teveel aan CO2 uitgestoten hadden, maar dat systeem werkte niet. Dus: voor de arme landen bleek ook geen plaats. Teleurstellend, maar ook heel bedreigend voor onze planeet en dus voor ons allemaal.

Vandaag is het Kerstfeest. Dan mag het toch eigenlijk wel over wat vrolijker dingen gaan: een vertederend kindje in de kribbe. Engeltjes die door het luchtruim zweven, een stal met een os en een ezel. Warmte, romantiek, gezelligheid en familiecontacten. Of toch niet? Heeft die wereld van nu misschien wèl iets te maken met kerst?

Het eerste dat mij raakt in de manier waarop Lucas het geboorteverhaal van Jezus vertelt, is dat er geen plaats voor hem was. Jozef en Maria zijn op weg naar Bethlehem om zich te laten registreren in verband met een volkstelling. Maria is hoogzwanger, maar er is geen plaats voor hen in het nachtverblijf van de stad. En, als we goed lezen, is het nog veel erger dan de romantische kerstverhalen ons laten geloven, want er wordt nergens gesproken over een stal waarin ze dan wel een eigen plekje zouden krijgen, verwarmd door de os en de ezel. Nee. Lucas zegt alleen: er was geen plek. Ze moest haar pasgeboren kind ergens in een voerbak leggen. Zelfs de stal moeten we er zelf nog omheen denken. Waarom is dit zo belangrijk? Omdat ermee gezegd wordt: er was voor hem geen plaats in de wereld. De mensen die meetellen: keizer Augustus en de andere politieke machthebbers interesseerden zich niet voor hem, de bewoners van Bethlehem vonden hem niet boeiend. Alleen aan een paar herders, die zelf ook weinig voorstelden in de samenleving, werd onthuld wat hij betekende. En dit is niet zomaar een toevallige mededeling in Lucas’ verhaal. Hier wordt juist iets uitgedrukt van waar het bij Jezus om gaat. Ja, meer nog: wat de kern is van het geloof, zoals dat al van eeuwen terug vanuit Israël overgeleverd is.

Maar laten we beginnen bij Jezus: Maria wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, een kribbe, omdat er geen plaats was in het nachtverblijf, in de herberg. Je kunt zeggen: dit is iets wat eigenlijk heel Jezus leven bepaald heeft. Dat hoor je wel vaker: wat kinderen van huis uit meekrijgen, raken ze niet meer kwijt. Toen Jezus volwassen geworden was, zei hij: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon – en daarmee bedoelde Jezus zichzelf – de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ Maar – en nu komt het hoopvolle – Jezus werd degene die opkwam voor mensen die geen plaats kregen. Misschien herkennen we daar ook wel iets van: Wat je zelf niet meegekregen hebt, wil je des te meer waarmaken in je leven. Mogelijk voor jezelf, maar ook juist naar anderen toe. Jezus bracht als volwassen man steeds naar voren: ik heb dan wel geen plaats gekregen, maar mijn roeping en missie is het, dat er voor jou wel plaats zal zijn: voor iedereen die weggedrukt wordt, voor het kwetsbare leven dat zo graag wil voortbestaan.

Dat is niet iets dat bij Jezus begint. Van Jezus wordt gezegd: hij straalde uit wie God is (Hebreeën 1:3).  Maar wie is God? Om daar iets van aan te voelen, moeten we ver teruggaan in de tijd. Het volk Israël werd op een meedogenloze manier behandeld in Egypte. Pasgeboren jongetjes moesten zelfs verdronken worden in de Nijl; dat zou ook gebeurd zijn als twee vroedvrouwen er geen stokje voor gestoken hadden. (Exodus 1:15-17). Geen plaats voor dit volk van tweederangs mensen. Totdat Mozes een stem hoort: Ik ben God, de Eeuwige. Mijn naam luidt: Ik zal er zijn, zoals ik er zijn zal. Dat klinkt vaag, maar meer god heb je niet nodig. Al die krijgsgoden en vruchtbaarheidsgodinnen zijn onzin. Ga nu maar weg met je volk uit dit verschrikkelijke slavenhuis. Ik ga met jullie mee. Je zult wel zien hoe. Er is vrijheid voor jullie weggelegd. Er is plaats voor alle verschopte mensen. En het volk trekt weg. In de woestijn horen ze de Tien Leefregels over alles wat je moet doen en moet laten om elkaar ruimte te geven. Het zijn richtlijnen die het kwetsbare leven willen beschermen en opkomen voor wie misdeeld zijn. Ook hier geldt: Er is ruimte voor je, wie je ook bent.

Het is jaren later, de tijd van de grote profeten. En de profeet Jesaja (de Tweede) doet een voorspelling: We zien uit naar iemand die anders is dan alle machthebbers op aarde. Laten we hem noemen: de Dienaar van de Eeuwige. Op wie Jesaja daarmee doelt wordt niet direct ingevuld. Maar wat wel duidelijk is, is dat het hier gaat om iemand die zelf, naar het schijnt, niet direct een plaats krijgt. Hij eist ook geen plaats op: hij verheft zijn stem niet op straat. Maar hij geeft als geen ander een plek aan het kwetsbare leven: Als er nog ergens een vlammetje flakkert, legt hij zij handen eromheen, zodat het op kan vlammen. Als er een rietstengel geknakt is, duwt hij hem weer overeind. Prachtige symboliek als we het hebben over plaats inruimen voor mensen die niet meetellen.

Zo komen we weer uit bij Jezus, van wie we de geboorte gedenken. Voor hem was er geen plaats. In zijn latere leven besefte hij dat. Ik heb geen plek om zelfs mijn hoofd neer te leggen. Maar juist hij maakte het tot zijn missie om plaats te scheppen voor ieder die geen ruimte kreeg van anderen. Daar zijn mooie verhalen over.

Er was een vrouw die helemaal kromgegroeid was. (Lucas 13:11-17). Ze was totaal gehandicapt geraakt. Door haar aan te raken zou Jezus haar verlichting kunnen geven. Ze zou zich vrijer kunnen voelen, ruimte ervaren. Maar ja, het was die dag Sabbat, de rustdag voor de Joden. En dan mag je iemand geen genezing brengen. Tensminste, dat vonden de bijbelgeleerden om Jezus heen. Dat is Sabbatsontheiliging. En dan doet Jezus iets opvallends. Hij bevrijdt de vrouw van haar verkramping. En hij zegt: Is nu juist de Sabbat geen dag van bevrijding. En moest nu juist zij, die ook een dochter van onze aartsvader Abraham is, niet uitgerekend op deze dag de ruimte krijgen?

Het kan zijn, dat je ervaart, dat er geen plek voor je is, omdat iedereen je al vóór is. Dat overkwam de man die al 38 jaar kreupel bij kuuroord Bethesda lag. (Johannes 5:2-9). Er werd beweerd dat een engel het water daar soms in beweging bracht en als je er dan als eerst inging werd je genezen. Maar sommige mensen hebben niemand om hen op zo’n moment in het water te helpen. De andere zieken kwamen alleen voor hun eigen hachje op en de omstanders waren met andere zaken bezig. Geen tijd. Geen plaats in hun gedachten. Dus die man lag daar al 38 jaar. Totdat Jezus komt en hem genezing brengt. Want Jezus kon het niet verdragen, dat er voor deze kreupele medemens, die al zo lang ziek was, geen plaats zou zijn.

Geen plaats voor jou! Weg jij! Je kunt ook weggeduwd worden, omdat je het fout gedaan hebt in de ogen van anderen. Jij hoort er niet meer bij. Een vrouw was op overspel betrapt. (Johannes 8:3-11) Stenigen! Was het oordeel van de geestelijke leiders. Zo staat het in de wet van Mozes. Maar Jezus zegt: wie van jullie zonder fouten is moet de eerste steen dan maar gooien. Niemand durfde meer. En Jezus zei: ik veroordeel jou ook niet. Ik geef je de ruimte. Er is plaats voor je. Begin een nieuw leven.

Je kunt het met kerst hebben over engelen en herders, over een stalletje, een os en een ezel, Wijzen en de ster van Bethlehem. Maar voor mijn gevoel kom je veel dichter bij de kern als je het hebt over waarom je Jezus de ster van dit feest zou noemen. Wie was Jezus en wie wilde hij zijn. Hij straalde uit wie God is. Hij maakte zich niet groot door anderen weg te duwen, maar hij zei: ik weet het: geen plaats hebben is moeilijk. God wil dat er een plek voor jou zal zijn, wie je ook bent. Regels zijn niet belangrijker dan jij. En als anderen alleen aan hun eigen hachje denken, weet dan: God ziet hoe je misschien wel jarenlang lijdt. Als je denkt, dat je het fout gedaan hebt, weet dan: voor niemand mag veroordeling het laatste zijn. God vergeeft en wil je weer ruimte geven. Dat was de missie van Jezus. Dat is de boodschap van Kerst.Wij leven in een wereld met veel vragen. Kerst mag niet zijn: daar even lekker uit wegvluchten. Het moet juist zijn: dit alles serieus nemen, omdat het Jezus zo ter harte ging. In zijn naam en in Gods naam moeten wij ons de vraag stellen: maken wij plaats? Zien wij al die mensen voor wie geen plek is: de katoenboeren in India, de Rohingya’s in Myanmar. Of veel dichter bij huis: mensen die over het hoofd gezien worden: te oud, te jong, te gebrekkig. Of zijn wij een samenleving geworden van alleen winnaars? Zien we de arme volken nog die in deze wereld ook moeten overleven? Zien we hoe kwetsbaar het hele onvervangbare leven geworden is? Het heeft allemaal te maken met de ruimte die wij scheppen, de plaats die wij maken: voor andere mensen, dieren, bomen en gewassen, insecten – voor allen die het nodig hebben. Zoals hij ons dat voorleefd

Door de breuken heen schijnt het licht…

Preek over Ruth 4:12-17 en Mattheus 1:1-6a

Afbeeldingsresultaat voor orpa ruth naomi

Inleiding

Soms heb je het gevoel, dat het leven aan een zijden draad hangt. In het leven van Naomi valt alle zekerheid weg. Haar man en haar twee zoons sterven en ze blijf eenzaam achter in het vreemde Moab. Toch is ze niet helemaal alleen. Haar schoondochters omgeven haar met zorg en steun. De bijbel gebruikt hier het bijzondere woord chèsèd dat vertaald kan worden met liefde, verbondenheid, trouw. Die zorg voor elkaar blijkt ook in wat volgt: Ruth blijft Naomi trouw. Boaz omgeeft Ruth met zorg. Ze trouwen en krijgen een zoon: Obed (‘Dienaar’). Door hem wordt de stamboom van Abraham voortgezet: naar David, naar Jezus. Door de breuken heen schijn toch licht – licht van mensen, Licht van God.

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Hoe ga je om met de onzekerheid van het leven? Misschien stellen we ons die vraag niet steeds. Daarvoor is het vaak ook te druk en hebben we teveel te doen. En dat is ook maar goed. Maar soms wordt iemand in je omgeving ziek, of overlijdt. Of we raken in een groot conflict verzeild. Of we hebben te maken met depressiviteit of een andere psychische stoornis. En dan is die onzekerheid er plotseling wel. Hoe moet het verder? Wat kun je hopen? Is er iets of iemand om op te bouwen? God? Zou hij zoiets willen? Dat kan niet. Maar de onzekerheid is er wel. En moeizaam probeer je ermee om te gaan. Echte antwoorden zijn er niet. Het leven lijkt soms aan een zijden draad te hangen.

Vandaag staat de geboorte van Obed centraal, de grootvader van David en dus ook een van de voorvaderen van Jezus. Maar aan dit leven gaat heel wat vooraf. Het is eigenlijk een wonder dat Obed ooit geboren is. De hele dynastie van David, en daarmee die van Jezus, heeft aan een zijden draad gehangen.

Het wordt ons allemaal verteld in het bijbelboek Ruth. Een boek dat begint met ongelooflijk veel ellende en onzekerheid. En toch is dit bijbelboek een feestrol geworden: een feestrol die door de Joden gelezen wordt op het Pinksterfeest. En de rabbijnen verklaren, dat dat niet voor niets is. Op het Joodse Pinksterfeest gedenken we de gave van de Thora op de Sinaï. En dat betekent: je leert hoe je moet omgaan met God en je medemens om een betere wereld te krijgen. En de kern is: geef elkaar ruimte en vrijheid, maar vooral zorg, aandacht liefde. Het boek Ruth leert ons: tegenover de onzekerheid, de dreiging en de tragiek staat iets anders dat het leven toch leefbaar maakt. De liefde waarin mensen elkaar dragen. Misschien denk je soms dat God ver weg is, maar dan ontdek je plotseling dat hij er was in wat ander deden.

Dat brengt mij tot een klein leerverhaal: de anekdote over de man die tijdens een overstroming op het dak van zijn huis zat. Hij had niets meer, maar geloofde vast, dat dit niet het einde was. God zou hem helpen. Het zou goed komen. Het water zou wel weer gaan dalen, zoals ooit na de zondvloed. Maar voorlopig bleef het water alleen maar stijgen. Er kwam een reddingsboot voorbij. Maar de man zei: vaar maar door – het komt goed! God is groot! Nog twee keer voer een bootje naar hem uit, maar hij weigerde in te stappen, in diep vertrouwen op God. Maar het water steeg almaar verder en hij verdronk. Hij verscheen voor God en God vroeg hem: waarom ben je niet met een van die reddingsbootjes meegegaan? Drie keer ben ik naar je toegekomen.

Een leerverhaal om ons te behoeden voor een naïef verlangen naar ingrijpen van hogerhand. En om in te zien hoe op een ongedachte manier God ons nabij kan zijn. In het boek Ruth is heel veel grauw en grijs en God lijkt onvindbaar, verborgen achter de ellende, maar tastend kun je toch zijn aanwezigheid voelen in de warmte en zorg waarmee mensen in verbondenheid de gruwelijke ontwikkelingen te lijf gaan.

Want gruwelijk is het allemaal wel: Naomi gaat met haar man Elimelech en haar twee zoons weg uit Bethlehem. Beth-lechem betekent ‘Broodhuis’, maar er is niets meer te eten. Ze gaan op zoek naar een gebied waar het beter is en komen in Moab, oostelijk van de Dode zee. Maar in dat vreemde land overlijdt Elimelech. Naomi’s zoons Machlon en Kiljon trouwen. Even is het feest. Maar binnen tien jaar sterven deze beide mannen ook. Wat heb je dan nog? Je bent in een vreemd land, je hebt geen man en geen kinderen meer. En God? Nergens! Maar er waren wel haar schoondochters. En die waren heel lief voor haar.

Toen drong er een gerucht door, dat er weer eten was in Bethlehem. En Naomi dacht: ik ga terug. Haar meelevende schoondochters begeleidden haar. Nu moeten jullie teruggaan, zei Naomi. Ik heb jullie daar niets te bieden. En dan zegt ze erbij: Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. Zo lezen we het in de Nieuw Bijbel Vertaling. Maar dat is wel erg vlak vertaald. De NBG vertaling van 1951 drukt het zó uit: De HERE bewijze u liefde, zoals gij die bewezen hebt.

In het Hebreeuws wordt hier woord chèsèd gebruikt. Dat is een woord dat in de bijbel regelmatig voorkomt en dat wij in het Nederlands met een heel scala aan woorden weer kunnen geven. Als het over God gaat werd het vroeger vaak vertaald met goedertierenheid.  Dat is een mooi woord met een diepe gevoelswaarde: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid – het refrein van Psalm 136. Maar we ervaren goedertierenheid intussen wel als een wat verouderd woord. Je kunt chèsèd ook vertalen met: goedheid, liefde, barmhartigheid, genade, trouw. En als het om mensen onderling gaat als: liefde, vriendelijkheid, verbondenheid, solidariteit, trouw. Uiteindelijk wordt ermee uitgedrukt, dat je – zonder eigenbelang – diep vanuit je hart op iemand betrokken bent en blijft.

Die onbaatzuchtige verbondenheid vormt een rode draad door het boek Ruth: de menselijke liefde die verbonden is met de goddelijke liefde. Het is een tegenwicht tegen de bitterheid van het lot.

Door deze liefde gedreven gaat Ruth uiteindelijk met Naomi mee naar Bethlehem. Ze zegt: uw volk zal ook mijn volk zijn en uw God mijn God. (Ruth 1:16). Ruth wordt met veel welwillendheid ontvangen op de akker van Boaz en krijgt zelfs extra koren mee naar huis. Dan wordt opnieuw dat woord chesed door Naomi gebruikt: Hij heeft trouw bewezen aan levenden en doden. Of: hij heeft liefde betoond, echte goedheid laten zien. (Ruth 2:20. N.B. Is God of Boaz onderwerp van de zin?)

En de lijn van de liefde wordt nog verder doorgetrokken wanneer Ruth uiteindelijk toenadering tot Boaz gezocht heeft. In het antwoord van Boaz wordt weer het woord chèsèd gebruikt: ‘Moge de HEER je zegenen, mijn dochter. Dit getuigt van nog meer trouw (chèsèd), verbondenheid, liefde dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk.

Door hoe mensen zich hier met elkaar verbinden, komt God aan het licht. Maar dat is iets wat zich geleidelijk onthult. Alles leek eerst troosteloos: er was alleen honger, dood, mislukking. Niet alleen het leven, maar ook de stamboom vanaf Abraham, leek aan een zijden draad te hangen. Door de liefde en verbondenheid die we tegenkomen in dit verhaal ontstaat er een gestage wending. En uiteindelijk kun je zeggen: in dat verloop is Gods barmhartigheid en trouw bij ons mensen.

Van kinderen kon geen sprake zijn – zo leek het. De doorgang van het leven stagneerde. Totdat Boaz verklaart: ik wil met Ruth trouwen. Ik koop de akkers van Naomi’s zoon Machlon op. En het kind van Ruth en mij zal de stam voortzetten.

Boaz en Ruth trouwen. Er wordt een zoon geboren: Obed. Dat betekent Dienaar. Als vanzelf denken we misschien aan die profetie van Jesaja over de Dienaar van de Eeuwige, die het kleine vlammetje niet dooft, maar er zijn handen omheen legt en die de geknakte rietstengel weer overeind zet (Jesaja 42:3). En we denken aan Jezus die zei: Ik ben gekomen om te dienen. (Mattheus 20:28). ‘Dienen’ is niet: ‘slaafs zijn’. Maar: je verbinden met mensen in nood en samen zoeken naar het licht dat God geeft. In het verhaal van Ruth en in de naam ‘Obed’ klinkt het allemaal mee.

Vanaf Obed gaat de stamboom verder: Obed verwekte Isaï en Isaï verwekte David, de koning. En vele jaren later werd uit deze stam Jezus geboren.

Vandaag gedenken we hoe de lijn van het leven toch steeds weer doorgaat. Onzekerheid kan je benauwen. Verlies kan je bestaan ontregelen. En God lijkt soms ver weg. Maar – zoals een kloosterbroeder laatst tegen mij zei: door de breuken heen straalt juist het licht. En in kleine daden van liefde wordt zichtbaar hoe we voortgeleid worden. Dat de trouw van God en het meeleven van mensen ons elke keer weer genoeg licht zal geven om door te gaan en de draad van het leven vast te houden.

Juda, de Leeuw…

Preek over Genesis 49:1-2, 8-10 Mattheus 1:1-3a Openbaring 5:2-5

Inleiding

Op weg naar kerst volgen we de verhalen van de voorvaders van Jezus. Zij vormen een slinger van lichtjes, die vooruitwijzen naar het licht van Kerst. Vandaag staat Juda centraal. Als vader Jacob zijn kinderen zegent, noemt hij Juda een Leeuw, de koning van de dieren. Dat kun je zien als een verwijzing naar Jezus’ koningschap. Toch blijkt Juda ook bedenkelijke trekken te hebben. Dat is bemoedigend voor ons: God laat zijn goedheid oplichten in onze wereld door feilbare mensen.

Preek

Alles wat er is, is er niet zomaar. Vaak is het een resultaat van een groeiproces. Elke dag weer worden we ons bewust van zulke processen. Bedrijven ontwikkelen zich, stellen doelen en proberen die uit te voeren. Tot er uiteindelijk een goed resultaat is. Ieder mens zal ook wel zijn best doen om persoonlijke ambities na te streven en uiteindelijk te zeggen: dit wilde ik bereiken. Alles in het leven wil groeien en bloeien. In de samenleving ontwikkelen zich positieve bewegingen: groepen mensen die zeggen we slaan de handen ineen voor een beter milieu of voor een rechtvaardiger manier van leven. Ze werven supporters. De beweging groeit. Omgekeerd zijn er ook groepen die leven van geweld en ook zij groeien soms. Tot onze ontzetting.

Je kunt zeggen: dat er ook in de bijbel sprake is van groeiprocessen, bewegingen die zich ontwikkelen in een lange periode. Met een mooi woord heet dat dan heilsgeschiedenis. Dat houdt in: God gaat met ons mensen een weg door de tijd. Abraham wordt weggeroepen om op weg te gaan naar een onbekend land. Daar ontdekt hij, in een maanlichte nacht, de sterren. En hij hoort een stem: ik wil me met jou verbinden. Zo talrijk als de sterren zal jouw nageslacht zijn. En in jou zullen alle volken van de aarde gezegend worden.

Daar komt dus direct nog iets naar voren: zegen. Het is blijkbaar zo, dat er niet alleen positieve bewegingen zich ontwikkelen, maar de helende kracht die daarbij hoort wordt van mens op mens en van generatie op generatie doorgegeven. Daar waar mensen zich inzetten voor het goede, gaat de beweging verder van vader op zoon van moeder op dochter. Abraham zegende Izaäk en Izaäk. Jacob en Ezau. En Jacob gaf zijn zegen aan zijn twaalf zonen.  Daarover gaat het vandaag.

Maar wat zou zo’n zegen nu eigenlijk inhouden? Geef je iemand dan goede wensen voor zijn leven mee? Of is het toch méér. Kun je ook een soort kracht doorgeven? Een kracht die uitstijgt boven wat mensen elkaar kunnen geven.

 Abel Herzberg vertelt over de zegen een indrukwekkende persoonlijke ervaring: ‘De laatste keer dat ik met vader en moeder bij mijn grootvader was moest ik dicht bij zijn bed komen staan. De oude man legde zijn handen op mijn hoofd en heeft mij gezegend. Mijn ouders huilden. Het is net of dit moment nooit is voorbijgegaan. Soms komt het mij voor of die zegening in dat ziekenhuis een onzichtbaar schilderij is geworden om altijd naar te blijven kijken. Ik ben nu zo oud als mijn grootvader toen geweest is, maar als ik aan hem denk heb ik nog steeds het gevoel dat ik het kind gebleven ben van toen. En nog prevelen zijn lippen de oeroude zegen van de priesters: ‘De Heer zegene je en Hij behoede je, Hij late Zijn Aangezicht over je lichten en Hij zij je genadig, Hij zij bezorgd om je.’ Mijn grootvader is er altijd geweest en heeft bij mij gestaan, toen ik trouwde, toen de kinderen geboren werden, toen vader en moeder stierven, toen de kinderen kinderen kregen. Hij is met mij de Duitse kampen ingegaan en heeft mij behoed, en Hij is er nu, terwijl ik dit schrijf. Hij is niet opgehouden te zegenen.’

Vandaag gaat het om een van de zoons van aartsvader Jacob. Maar het is niet de oudste zoon, Ruben, die de belangrijkste zegen krijgt. Dat komt omdat Ruben onstuimig was in zijn gedrag en ook seksueel contact had met een van de vrouwen van zijn vader. (Genesis 35:22). En ook de volgende zonen, Simeon en Levi komen niet voor de belangrijkste zegen in aanmerking. Zij zijn in hun eerwraak voor hun zuster Dina zo ver gegaan, dat zij een hele volksstam hebben uitgemoord. Excessief geweld. (Genesis 34). Ook via hen zal de zegen van God zijn weg in de geschiedenis niet gaan.  

En dan komt de vierde zoon: Juda. Vader Jacob zegt tegen hem: Juda, je zult door je broers worden geprezen. Je zult je vijanden overwinnen. Je eigen broers zullen voor je buigen. Dan denk je: Juda zal wel een bijzondere zoon zijn, die altijd erg zijn best gedaan heeft. Maar dat valt ook weer tegen. Laten we eens nagaan wat er in zijn leven gebeurde. Toen hij geboren werd, zei zijn moeder Lea: “Nu zal ik de Heer prijzen.” Daarom noemde ze hem Juda, wat ‘Lofprijzing’ betekent. Dat was dus een veelbelovend begin van zijn leven. Maar wanneer hij als jonge man met zijn broers in het veld is en ze zich allemaal ergeren aan de opschepperij van hun jonge broertje Jozef, komt Juda op het idee: laten we hem niet doden, maar laten we hem verkopen aan die groep karavaanreizigers die  naar Egypte gaat. Genesis 37:27) Was dat nu een milde oplossing of was dat ook weer wreed? Hoe dan ook. Jozef wordt doorverkocht naar Egypte, waar hij onderkoning wordt. En wanneer de broers daar, vanwege de honger, koren gaan kopen, moet Benjamin, de jongste zoon van Jacob als slaaf achterblijven. Maar dan is het Juda die inspringt.  Hij zegt: Dat kunt u onze oude vader Jacob niet aandoen. Ik blijf wel in plaats van Benjamin. Ik sta borg voor hem. (Genesis 44:33). Daarin laat Juda toch iets zien van moed en trouw.

Juda – er staat nog een pijnlijk en bedenkelijk verhaal van hem in de bijbel. Juda had drie zoons: Er, Onan en Sela. De oudste trouwde met een zekere Tamar. Maar hij ging al snel dood. Het was volgens de wetten in die tijd de plicht van de volgende broer om voor zijn overleden broer nageslacht te verwekken bij de weduwe. Maar Onan had daar geen zin in en zorgde er dan ook voor dat dat niet gebeurde. Maar ook Onan stierf. Sela was nog heel jong en bovendien dacht Juda. Straks gaat hij er ook nog aan. Intussen was het in die tijd voor een vrouw wel heel moeilijk om geen man en kinderen te hebben. Tamar verzon een list. Ze ging als hoer langs de kant van de weg staan, waar Juda langskwam. Ze was gesluierd en Juda had er geen idee van dat zijn schoondochter daar stond. Hij had gemeenschap met haar en als borg voor een latere betaling gaf hij haar zijn snoer met zegelring en zijn staf. Later kwam alles uit wat er gebeurd was. Juda stelde Tamar in het gelijk en moest zelf diep door het stof gaan. Intussen was Tamar wel zwanger van hem en ze bracht een tweeling ter wereld: Peres en Zerach. En Peres, verwekt in een wel heel wonderlijk avontuurtje van Juda, is volgens het evangelie van Mattheus, een van de voorvaderen van Jezus.

Juda – een mens met veel kanten. Hij had iets impulsiefs, maar kon ook zijn ongelijk toegeven en voor anderen opkomen. Al was hij de vierde van Jacobs zonen. Hij krijgt wel een bijzondere zegen: Sterk als een jonge leeuw ben jij, Juda. Je gaat liggen als een leeuw, vol majesteit vlij je je neer. Het gaat hier niet om het bedreigende of agressieve van de leeuw, maar om de kracht en majesteit. In het boek Spreuken lezen we: De leeuw – hij is de machtige held (hebr. gbr) van de  dieren en deinst voor niets terug (Spreuken 30:30). En ook wij spreken over de leeuw als de ‘koning van de dieren’. En met deze zegenspreuk verbindt Jacob nog een andere voorzegging: In Juda’s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat hij komt die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen.

En bij die gedachte uit de zegen die Jacob geeft aan Juda, haakt Mattheus aan als hij de stamboom van Jezus opschrijft: Voor Mattheus is hij, Jezus, degene die er recht op heeft dat alle volken hem dienen. En Johannes de schrijver van het boek Openbaring, sluit daaropaan met de woorden: de Leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald, en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen.

Er groeide iets in de geschiedenis, een beweging die mensen heil zou brengen. Het begon bij Abraham. En die beweging golft door de generaties heen. Steeds licht er even iets op: daar waar mensen eerlijkheid en trouw en liefde zoeken en hun kracht weer doorgeven aan de volgende generatie. Dat is de zegen die in Gods naam doorgaat van vader op zoon en van moeder op dochter. Mattheus verkondigt ons waar het op uitloopt: het licht, maar ook de kracht en de majesteit van God in die ene man: Jezus, de Leeuw uit de stam van Juda.

Dit heet in de bijbel de heilsgeschiedenis – een grote beweging die de eeuwen en generaties doortrekt. Maar ieder leven, ook het onze, kan zijn eigen heilsgeschiedenis schrijven. Daar hoef je geen geloofsheld of onfeilbaar mens voor te zijn. Het troost mij, dat Juda dat ook niet was. God gaat zijn weg met kleine, feilbare mensen. En toch mogen wij ieder op onze eigen manier iets van Gods heil, liefde, warmte laten zien in ons leven: in de aandacht die we geven, in de zorg die er van ons uitgaat, in de liefde waarmee we elkaar steunen.

Verbonden voor het leven…

Preek over Deuteronomium 34:1-10 en Mattheus 28:16-20

Inleiding

Vandaag, op Eeuwigheidszondag, staan we erbij stil, dat ons leven ingebed is in de grote geschiedenis van de aarde en de mensheid. Wij als persoon zijn maar een klein schakeltje in de kosmos en de tijd. Daarbinnen zijn we verbonden met mensen om ons heen, maar ook bij wie ons voorgingen: allereerst ouders en grootouders. Maar we hebben ook veel te danken aan eerdere generaties die ons leerden wat mooi en van waarde is, hoe je kunt leven met God en met elkaar. Mozes en Jezus hebben daarbij een centrale plaats. Maar we denken op deze dag ook concreet aan familie en vrienden die we los moesten laten. We blijven ons verbonden voelen met de waardevolle dingen die zij ons gegeven hebben. Met hen blijven wij uitzien naar het licht van God dat al onze voorstellingen te boven gaat.

Preek

Vandaag op Eeuwigheidszondag, willen wij onze blik groter maken dan het leven van alledag. We willen erbij stilstaan, dat ons leven ingebed is in de grote geschiedenis van de aarde en de mensheid. En ons hele leven is daarin maar een klein schakeltje. Eeuwigheid – het is zo onvoorstelbaar. Psalm 90, waarmee we deze dienst begonnen zijn, laat ons er iets van proeven. Wij mensen zijn maar zo nietig tegenover de Eeuwige uit wie alles voortgekomen is: Nog voor de bergen waren geboren, voor u aarde en land had gebaard – u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. In die eindeloos voortgaande tijd kun je je verloren voelen. Maar deze Psalm laat zien: je kunt je ook geborgen weten: Heer, u bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht. En uiteindelijk gaat het erom, dat wij de kleine dingen die wij in ons leven doen, leren zien in dat grotere alomvattende geheel. En zo eindigt Psalm 90 met de woorden: Bevestig het werk van onze handen, het werk van onze handen, bevestig dat. Ik leg dat uit als: laat ook mijn positieve inzet iets goeds mogen bijdragen aan alles wat er gebeurt op dit moment en voor de toekomst.

Vandaag denken we erover na, dat wat wij bijdragen niet alleen iets van onszelf is. In alles wat we doen zijn we gevormd – en helaas ook wel eens misvormd – door anderen, van jongs af aan. Onze taal, wat we denken en geloven – het komt allemaal niet uit de lucht vallen. Maar zoals we lichamelijk verwekt worden en groeien in de baarmoeder, zo wordt ook onze ontwikkeling vanaf onze geboorte vormgegeven door mensen. Natuurlijk door onze ouders, maar even goed door opa’s en oma’s, andere familie, vrienden, leraren. Door hen werd ons leven opgebouwd – helaas ook wel eens afgebroken of verstoord.

Wie ons voorgingen op de weg van het leven putten overigens ook zelf ook weer uit wat anderen hun aanreikten. En dan heb ik het over de grote inspiratiebronnen in de geschiedenis: Jezus, Mozes, Boeddha. En ik doel op politieke leiders die onze landen besturen, componisten die ons de prachtigste muziek doorgeven en schilders of beeldhouwers die ons ontroeren door kleur en vorm. Soms gingen ze ons eeuwen voor in de tijd, maar hun gedachten, redeneringen helpen ons nog steeds om verder te denken. Hun menslievendheid werkt door. En wat zij maakten aan bouwwerken, klanken en vormen – we leven er nog steeds van. De emotie op het gezicht van een oude man, geschilderd door Rembrandt, laat dat tot je doordringen. De juichende muziek van Handel, maakt je ervan bewust.

Dat je wordt gevormd tot wie je bent door allerlei mensen die je voorgaan, besefte men ook heel goed in het oude Israël. Je kunt niet zonder de ervaring en de wijsheid van de generaties die aan je voorafgaan. Wat zij meemaakten schreven zij op als hun tocht door de woestijn van het leven. En de richtlijnen van God, die de basis vormden voor hun ethiek, stelden zij op schrift. Ze zeiden: dit moet van geslacht op geslacht overleveren. We lezen dan ook in het boek Deuteronomium: Houd die aanwijzingen voor het leven steeds in gedachten. Prent ze je kinderen in (Deuteronomium 6:6-7a).  Er is één bijbels voorschrift, dat er in dit verband uitspringt. Het gebod: Eer uw vader en uw moeder. (Exodus 20:12). Dat gebod is nogal eens misbruikt in de betekenis van: heb geen grote mond tegen je ouders. Op die manier kon het kinderen dwingen om zich maar te voegen naar de wil van hun vader en moeder. Waarom moet je iets doen? Omdat papa het zegt. Maar zo kom je niet tot de echte diepte van dit gebod. Het gaat om respectvol behandelen van ouders, ook als je niet meer jong en vitaal zijn. En de achtergrond van die zorg is: Zij zijn het die je de leefregels doorgegeven hebben. De vader werd geacht de Thora in woorden aan de kinderen door te geven, de moeder leefde hem ook in de praktische huiselijke situatie voor. Zo hebben beiden je ingebed in het geloof en de ethiek van het voorgeslacht. Daarom zul je hen met eerbied behandelen.

We lezen dat Mozes de aanwijzingen voor het leven doorgaf aan het volk in de woestijn, vanaf de berg Horeb. Gehouwen in steen: duurzaam dus. Gericht op alle generaties. Overigens niet bedoeld om willoos gekopieerd te worden, maar om ieder mens opnieuw tot nadenken te zetten: Je zult niet doodslaan. Maar wat kan doodslaan allemaal betekenen? Kun je ook doodslaan met woorden? Je zult niet stelen. Maar gaat stelen alleen om bezit of kun je iemand ook zijn eer of zijn leven ontstelen?   

Mozes gáf niet alleen de richtlijnen van de Eeuwige, en vertelde niet alleen wat het betekent om op hem te vertrouwen. Hij leefde het zelf ook voor. We lezen over hem: Mozes was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op aarde. (Numeri 12:3). Zijn moed om elke keer door te gaan tegen al het gekibbel van het volk in is onvoorstelbaar. Hij bleef vertrouwen houden, ook als er niets meer te eten was in de woestijn, als er alleen de brandende zon was. Hoe behoud je dan het geloof dat het goede land toch voor je ligt? Ook in onze wereld denk ik wel eens: hoe zouden wij optimistisch kunnen blijven als er niet stemmen waren van mensen die ons hoop en vertrouwen inspreken? Aan het eind van zijn leven beklimt Mozes een hoge berg: de Nebo. Van daar uit laat God hem het land zien waarnaar ze op weg zijn. Hij zal er niet binnengaan, niet letterlijk lichamelijk maar in de geest gaat het het volk al voor en overziet het goede land van noord naar zuid en van oost naar west. Van Mozes wordt gezegd, dat zijn lichaam toen niet meer gevonden werd. Maar in de geest van Israël is hij door blijven leven en heeft hij zijn volk altijd begeleid. Dat verklaart ook het verhaal, dat hij samen met Elia aan Jezus verscheen op de berg van de verheerlijking. Hij was niet weg. Hij bleef de geestelijke begeleider, al was hij van hen heengegaan.

Het doet mij denken aan wat priester en auteur Henri Nouwen eens zei: Gedenken wie ons voorgingen betekent, dat we ons dagelijks leven door hun geest laten inspireren, zodat zij deelgenoot kunnen worden van ons leven en ons kunnen helpen bij de keuzen en beslissingen op onze levensweg. Een ouder, een echtgenoot, kind of vriend – zij allen kunnen na hun dood geestelijke begeleiders worden. En soms komen ze ons na hun dood nog meer nabij dan tijdens hun leven. Onze doden gedenken betekent: kiezen voor hun blijvend gezelschap.

Voor ons als christelijke gemeente geldt: als er één is die ons gevormd heeft tot wie wij zijn, is het Jezus. Hij leerde ons nadenken over de leefregels van Israël: besef je wel wat het betekent om valse voorstellingen van God te maken. En wat kan het allemaal inhouden als je je naaste zijn kansen om te leven afneemt. Waar gaat het uiteindelijk om? En zijn antwoord was: Het gaat erom, dat je in je leven doordringt tot wat echt van belang is: geen regeltjes en vormen, maar eerlijkheid naar elkaar, rechtvaardigheid, geen uitvluchten en vooral oprechte liefde en betrokkenheid.

Mattheus vertelt ons in zijn evangelie, dat ook Jezus, net als Mozes, een berg beklom. En hij zei: Ga er nu zelf op uit, de wereld in, vertel aan anderen wat ik jullie geleerd heb, maar vooral: doe zoals ik jullie voorgeleefd heb. En hij zei: ik blijf met jullie verbonden. Totdat uiteindelijk alles tot zijn voltooiing komt.

Op deze Eeuwigheidszondag proberen we iets aan te voelen van de grote beweging waarin wij staan: kleine mensen in een grote geschiedenis, minieme schakeltjes aan een ketting van generaties. Verbonden met elkaar en met wie ons voorgingen. Totdat uiteindelijk alles tot zijn voltooiing komt.

We zijn gevormd door vele anderen: Mozes gaf ons de Thora, Jezus leefde ons voor wat liefde kan zijn. Vele anderen waren er: aan wie we muziek danken, expressie, inzicht, oog voor de natuur. Het dichtst stonden bij ons: die mensen met wie we ons leven deelden en die we, juist vandaag, missen. Je ouders, je man of vrouw, soms kinderen. Ik herinner mij de verhalen van familieleden en gemeenteleden: over vroeger, de glimlach, de dankbaarheid, het enthousiasme, de zorgzaamheid. Ook de ergernis, de moeite, de wanhoop en het verdriet dat er soms was. Maar het belangrijkste zal toch geweest zijn: de liefde die we gedeeld hebben het vertrouwen en de hoop: het komt goed.

Wie ons voorgingen, zullen ons leven, in welke zin ook blijven begeleiden. Ze hebben ons gevormd, wij hebben hen gevormd. Zo ben je met elkaar verbonden. |Zo blijf je met elkaar verbonden. Uiteindelijk: samen gericht op het Licht van God, dat al onze voorstellingen te boven gaat.

Het is hier een rovershol…

Preek over Jeremia 7:3-11, Jesaja 56:6b-7 en Mattheüs 21:10-16

Tempelreiniging

Inleiding

Hebben wij, hier in de kerk, iets te maken met de wereld van handel en economie? Je bent geneigd te denken, dat er niet veel raakvlakken zijn. Jezus drijft de geldwisselaars en veehandelaars zelfs de tempel uit. Is dat een Bercow-achtige roep om ‘order’ – eindelijk rust en eerbied in Gods huis? Of zit er meer achter? De tempel mag geen ‘rovershol’ worden, maar zal een ‘huis van gebed’ zijn. En dat betekent onder meer: wie hier komt zal, in gebed voor Gods aangezicht, nadenken over hoe hij omgaat met bezit en op deze plaats zal ruimte zijn voor wie achtergesteld is. Kerk, geloof en economie hebben alles met elkaar te maken.

Preek

Heeft de snelle wereld van de economie ook iets te maken met geloof en theologie? ‘Nee’ is onze eerste gedachte: handel, verdienmodellen en geldstromen hebben weinig overeenkomst met spirituele waarden als verstilling, gebed, God. Des te opvallender is daarom een artikel in Trouw van 29 oktober (2019), waarin we lezen dat een universitair docent in de theologie, Paul van Geest, hoogleraar wordt aan de Erasmus universiteit met als leeropdracht: economie en theologisch denken. En op dezelfde dag wordt de Tiburgse econoom Lans Bovenberg hoogleraar relationele economie, waarden en leiderschap. Achter die benoemingen schuilt een inzicht, dat blijkbaar nieuw is: Hoge winsten zijn niet alles. Economische belangen zijn verbonden met andere menselijke waarden. Bovenberg zegt: Je kunt de economie ook zien vanuit het belang van samenwerking. En Van Geest houdt aan studenten economie voor: Om zelf vertrouwen te kunnen geven, helpt het dat je eerst zelf bent liefgehad, door God, je ouders, vrienden. In de klassieke theologie heet dat: genade. Wat ik lees in dit krantenartikel sluit ook aan bij wat een gemeentelid vertelde over haar werk bij een grote buitenlandse organisatie. Ze zegt: de bonussen zijn bij ons afgeschaft. De reden is, dat die persoonlijke beloningen je te veel fixeren op eigen belang waardoor andere waarden als aandacht en samenwerking te weinig kansen zouden krijgen. Als ik dat allemaal hoor denk ik: bijzonder dat blijkbaar de waarden zoals we die kennen uit de bijbel hier en daar onderkend worden in het economisch denken.

Het brengt mij bij de bijbelteksten van vanmorgen. Ze gaan ook over economische belangen en over de profetische stem die zegt: dit kan echt niet! Als je eerlijk met de Eeuwige en je medemens wilt omgaan, moet de zweep gehaald worden over dit onrecht.

Om hier meer inzicht in te krijgen moeten we eerst nagaan hoe de Joden vroeger hun verbondenheid met God beleefden en vormgaven. Dat ging zo: Een aantal keren per jaar maakte je een pelgrimstocht naar de tempel in Jeruzalem. Daarbij had je een offerdier bij je. Je kon ook een geldbedrag meenemen, dat je dan bij de wisselaars in tempelgeld kon omwisselen om zo een offerdier aan te schaffen. Zo’n dier moest helemaal gaaf zijn (Leviticus 1:3), want je geeft het waardevolste aan God, het meest dierbare: je zelf. Je legde je hand op de kop van de geit of het schaap, voordat het geofferd werd (Leviticus 1:4). Daarmee zei je eigenlijk: dit offer ben ik, ik wijd mijn leven aan u toe. En ook als ik fouten maak, geloof ik dat U mij nieuwe kansen geeft. Dan werd het offer gebracht. Maar met het tempelbezoek was nóg iets verbonden: je hield ook samen een offermaaltijd. Offeren had niet alleen te maken met je houding tegenover God, maar ook met wie met je meeliepen in het leven – met verbondenheid.

Bij die hele gang naar de tempel ging het uiteindelijk maar om één ding: jouw houding, jouw opstelling in het gewone leven. Je pelgrimsweg naar de tempel moest de uitdrukking zijn van hoe je je wilde opstellen naar God en je medemens: in oprechtheid, in verbondenheid met elkaar. Als je gang naar de tempel en je levenshouding niet overeenstemmen, is je offer niets waard en heeft de tempel je ook niets te bieden.

Psalm 51 drukt dat heel helder uit. Daar zegt God: Denk je nu echt, dat ik die offers van jullie nodig heb. Ik heb alle dieren van het woud al (Psalm 50:9-10). Daarmee wordt gezegd: een offer alleen iets waard als het uitdrukt hoe je wilt leven – het gaat niet om het offerdier op zich.

Daarom heeft Jeremia ook felle kritiek op de mensen die uit een soort bijgeloof naar de tempel komen. Ze roepen: dit is de tempel van de Heer, de tempel van de Heer. Alsof je daarmee door God omarmd wordt. Misschien was hun gedachte: Als wij hier in de tempel een offer brengen, geeft God ons bescherming en voorspoed. Jeremia wijst hen scherp terecht: Hoe kun je mensen onrechtvaardig behandelen, vreemdelingen, wezen en weduwen onderdrukken, onschuldig bloed vergieten en dan opgewekt naar de tempel komen. Geloof, economie, rechtvaardige verdeling, aandacht voor je medemens – het heeft juist alles met elkaar te maken. Alles komt aan op rechtvaardigheid en liefde. En de tempel is de plaats om je daarvan bewust te zijn of te worden.

Bijzonder is ook wat de profeet Jesaja daarover zegt: God spreekt: Mijn huis zal een Huis van Gebed zijn voor alle volken.  Dat wordt gezegd tegen een heel specifieke achtergrond. In het voorafgaande gedeelte gaat het over twee gediscrimineerde groepen: mannen die door een ingreep hun geslachtsfunctie verloren hadden en vreemdelingen. Deze mensen werden niet voor vol aangezien. Maar Jesaja zegt in naam van God: Als zij rechtvaardig en toegewijd willen leven. Dan is juist de tempel een huis waar zij welkom zijn: een huis van gebed. (Jesaja 56:3-7)

Maar wat is een huis van gebed eigenlijk. Is dat een plek waar veel gebeden wordt? Dat zal wel. Maar wat is dan gebed? Gebed is niet: een verlanglijstje opzenden naar de hemel. En een huis van gebed is dus ook niet de plaats waar alles draait om wat wij graag willen. Het is wel de plek waar je jezelf mag zijn: Wat je bezighoudt aan zorgen, verdriet, hoop – dat alles mag je buiten jezelf plaatsen, neerleggen, overgeven aan God. Dat is een moment van vrede en bevrijding. Maar bidden is méér: het Hebreeuwse woord voor bidden (palal) bete­kent ook ‘oordelen’ of ‘tussen beide komen’. Een joodse geleerde (Moshe Kohn) beweert op grond daarvan: ‘ik, als biddende persoon, on­derzoek mijzelf. Ik stel mij vragen over mijzelf en over degene voor wie ik bid.’ Dat houdt dus in dat ik naga: wie ben ik? Wat zijn mijn mogelijk­heden? Hoe kan ik er met de kracht van God voor een ander zijn. Om het met de woorden van Franciscus van Assisi te zeggen: God, Maak mij tot een werktuig in uw hand. In het huis van gebed oefen je jezelf in het ontwikkelen van meer eerlijkheid en liefde.

Het brengt ons bij het verhaal over Jezus: Jezus ging de tempel binnen, hij joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht, gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver en riep hun toe: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, ”maar jullie maken er een rovershol van!’

Vaak hebben we misschien gedacht: Jezus wil dat het een beetje eerbiediger toegaat in de tempel. Je moet niet de rust verstoren van wie daar vroom zitten te bidden. Maar ik denken, dat er veel meer meespeelt: met welke gezindheid ga je naar de tempel? Al was het geld wisselen en de handel in offerdieren legaal – had deze commercie nog wel echt te maken met de diepere waarde van offers? Dreigde deze cultus niet te worden tot koehandel: ik geef mijn offerbeest, U geeft uw zegen – en daarmee tot bijgeloof?

Jezus grijpt in met een heilige woede. Dit is niet wat de Eeuwige van ons wil. Laat er in Gods naam weer ruimte komen voor oprechtheid: jezelf onderzoeken in gebed. En laat hier in de tempel plaats zijn om na te denken over eerlijkheid in de omgang met elkaar, barmhartigheid, liefde, een rechtvaardiger samenleving. Ja, theologie en economie horen bij elkaar. Geloof, eerlijke handel, respect in werksituaties – het heeft alles met elkaar te maken.

Jezus houdt ons voor: ga weg uit het rovershol, zie jezelf – ook als samenleving – recht in de ogen. Laat er ruimte zijn voor alle mensen en juist voor wie achtergesteld worden. Op een prachtige manier wordt dat onder woorden gebracht door Mattheus. Wanneer de duivenverkopers en de geldwisselaars uit de tempel gedreven zijn, wordt het een huis voor mensen die minder kansen krijgen: Blinden en verlamden komen naar hem toe en ze ontvangen bij hem genezing. En kinderen zingen hem toe: Hosanna voor de zoon van David… De geestelijken protesteren nog, maar dat verandert niets meer.

Deze verhalen brengen ons ook tot de vraag wat geloof voor ons is en wat de kerk voor ons betekent. Het mag een plaats zijn van ontmoeting en verbinding. Een plek waar je wat je raakt of zorgen geeft aan God voor kunt leggen. Ook zal het gaan om geborgenheid vinden bij God en bij elkaar. Maar geloven heeft vervolgens weer alles te maken met het gewone leven: eerlijkheid, liefde trouw naar de mensen om ons heen. En niet alleen in de persoonlijke sfeer. Want al die dingen gaan ook over gezamenlijk egoïsme en hoe je dat te boven komt: vinden we geld belangrijker dan kwetsbare natuur? Willen we goederen of welvaart in de wereld eerlijker verdelen? Is er, ook in onze omgeving, aandacht voor wie het niet goed redden? Theologie en economie. Eenvoudige antwoorden zijn er niet. Wat wel van ons gevraagd wordt is een open en oprechte houding, tegenover God en tegenover elkaar. Mijn huis zal een huis van gebed zijn.

Van David moet je het maar hebben…

Preek over 2 Samuel 5:4-10 en Lucas 7:36-38, 44-47

Inleiding

Wij hebben van jong af aan identificatiefiguren nodig: mensen aan wie we ons op kunnen trekken: moeders, vaders, leraren. Ook de politieke leiders in onze tijd: Trump, Merkel, Johnson – al zullen velen zich niet met hen kunnen verbinden. David was zo’n figuur om je aan te spiegelen in Israël: de grote Koning en Psalmdichter. Maar hij blijkt verre van volmaakt te zijn. Wel is de basis van zijn leven: vertrouwen op God en verbonden zijn met de mensen om hem heen. En: oprecht berouw om wat misliep. In dat alles kan hij ons tot voorbeeld zijn. 

Preek

Wij mensen hebben anderen nodig om ons aan te spiegelen. Een jong kind neemt het gedrag van een moeder en vader in zich op. Zo wil het zijn. Totdat het later zijn eigen weg gaat. Vader, moeder, de leraar op school – het zijn allemaal identificatiefiguren. Je wilt zijn zoals zij en zij worden vooralsnog omgeven met het beeld van volmaaktheid. Want hoe zou je je als kind met iemand kunnen verbinden die ook zijn fouten heeft. Dat kritische besef komt pas later, als je wat ouder bent.

Als mensheid hebben wij blijkbaar ook steeds weer grote figuren nodig om ons aan te spiegelen. Een held als Herakles, een strateeg als Alexander de Grote, een keizer als Augustus. Of iemand die ons in ethisch opzicht de weg wijst: Mozes, Jezus. Of uit onze tijd: Moeder Theresa. De hang naar figuren aan wie je je op kunt trekken is van alle tijden. Dat geldt ook voor politieke leiders nu: Vladimir Poetin en Donald Trump, Angela Merkel, Emmanuel Macron, Boris Johnson. Voor wie in hen geloven, kunnen zij niet stuk, ook als anderen veel kritiek op hen hebben.

Voor Israël in vroeger tijden was David de grote koning. God had zich de eeuwen door verbonden met zijn dynastie en uit zijn nageslacht zou de Messias geboren worden. Je zou dus kunnen zeggen: David was een identificatiefiguur: een bewonderenswaardige koning, een mens die zich op God richtte, van wie ook prachtige Psalmen overgeleverd werden, die wij vandaag nog zingen. Maar toch – en dat is wel bijzonder: Hij wordt niet afgeschilderd als volmaakt. In tegendeel hij gaat soms helemaal de fout in. Dan roept hij geen enkel respect op. Hij begaat wreedheden en redt zich soms door leugens. Maar niettemin is hij goedwillend en oprecht. En misschien is hij door dat alles juist een goede identificatiefiguur voor ons: want we zullen in onszelf ook wel fouten en misstappen herkennen, evenals de wil om het toch weer goed te doen.

David. We horen voor het eerst van hem als de profeet Samuel op zoek gaat naar een nieuwe koning. Samuël laat alle zonen van Isaï de revue passeren. Sterke mannen, rijzige gestalten. Maar God zegt: ‘Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar Ik [de Heer] kijk naar het hart.’ Dan wordt de rossige jongen, David, met zijn sprekende ogen, achter de schapen vandaan gehaald en tot koning gezalfd. De Eeuwige kijkt naar het hart. Nu is in het Hebreeuws het hart niet de zetel van het gevoel – zoals bij ons – maar het hart staat voor alles wat je wilt, nastreeft, verlangt. Kortom: je hele persoon. Davids hart gaat, net als het onze, verschillende kanten op. Maar uiteindelijk richt het zich op God.

In het verhaal dat vanmorgen op het rooster staat, heeft hij uiteindelijk niet alleen de stam Juda achter zich staan, maar ook het tienstammenrijk van Israël en hij wil zijn residentie verleggen van Hebron naar Jeruzalem. Jeruzalem was toen een kleine vesting op de berg Sion. De stad was in het bezit van de nakomelingen van Jebus, een achterkleinzoon van Noach. De Jebusieten waanden zich sterk in hun vesting en zeiden: Je komt hier nooit binnen. Zelfs fysiek beperkte mensen, lammen en blinden zouden je vanhier tegen kunnen houden. Maar David is sluw en denkt: je moet eerst de watergang, de waterleiding, bereiken (Hebr. nga’). Volgens sommige vertalingen sluit hij de waterleiding af, waardoor de stad zich over moet geven. Andere vertalingen zeggen: hij dringt door de watergang heen en verovert zo de stad. Hoe dan ook: De burcht wordt ingenomen en David zal vanaf de berg Sion gaan regeren. Dat hij een hekel zou hebben aan blinden en lammen, heeft alleen betrekking op dit verhaal. Want juist hij zal zich later over een kreupele man ontfermen.

Vandaag willen we stilstaan bij wie David: hij was sluw en wreed, maar ook trouw, liefdevol en oprecht. Hij maakte fouten, maar liet ook echte liefde zien. Laten we aan de hand van een aantal thema’s de hoogte en dieptepunten van zijn leven nagaan. Drie dingen wil ik naar voren halen: Vertrouwen, verbondenheid en berouw. Diepgeworteld in David leefde het vertrouwen: het besef, dat je het uiteindelijk niet van fysieke kracht moet hebben en ook niet van jezelf, maat van vertrouwen op de eeuwige. Daarnaast kon David zich, ondanks zijn harde en wrede gedrag ook liefdevol met anderen verbinden: in respect en vanuit meeleven. En tenslotte: toen het dramatisch misgelopen was in zijn leven, kende hij ook oprecht berouw.

Vertrouwen. Nog voordat David koning werd was er een bijzonder moment dat David zich ervan bewust was, dat in je leven niet bepalend is wat jezelf bezit aan macht en fysieke kracht. Dat was toen hij tegenover Goliath stond. Goliath, die een lans had als de boom van een weefgetouw. David zei: ‘Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard, maar ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten.’ (1 Samuel 17:45). Ook als David later omsingeld is door Filistijnen en ontsnapt, zegt hij niet: ik ben slim geweest maar: ‘U, God hebt mij bevrijd.’ En hij zingt een lied: Eeuwige, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt. (2 Samuel 22:2-3a). Het wordt opgenomen in het boek van de Psalmen als Psalm 18.

Maar het is niet alleen het vertrouwen op God, dat de grond is van Davids leven, maar ook zijn verbondenheid met anderen. Ik moet er wel bijzeggen, dat we ook vaak lezen over de meedogenloze manier waarop David omging met zijn vijanden. Hij verslaat 200 Filistijnen en geeft hun voorhuiden aan koning Saul om zo diens dochter Michal tot vrouw te krijgen. (1 Samuël 18:27). Wreedheden die blijkbaar eigen waren aan die tijd. Maar daartegenover laat David ook respect meeleven blijken als het gaat om zijn eigen mensen. Tot twee keer toe heeft hij de kans om zijn aartsrivaal koning Saul te doden. Maar hij zegt: ‘De HEER verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de HEER zelf als koning aangewezen.’1 Samuël 24:6. En David snijdt alleen maar een stukje van Sauls mantel als bewijs dat hij Saul kon doden, maar het niet gedaan heeft. Later krijgt hij nog zo’n kans. En dan neemt hij een speer en waterkruik bij het hoofd van Saul weg als bewijs dat hij hem kon doden, maar het niet deed. (1 Samuël 26:11).

Wanneer het einde van Davids koningschap nadert, komt de vraag aan de orde wie hem zal opvolgen. Zijn zoon Absalom probeert de troon in handen te krijgen en daarbij bestrijdt hij zijn Vader. Wat moet David? Tegen zijn eigen zoon gaan strijden? Dan spreekt hij de bijzondere woorden tegen zijn generaal: Behandel de jongen met zachtheid. (2 Samuel 18:5). Helaas loop het niet goed af. En David kan niet anders doen dan huilen en roepen: Absalom, mijn zoon, mijn zoon, was ik maar dood in plaats van jij. (2 Samuel 18:33) Heel ontroerend is ook het verhaal van Mefiboseth. (2 Samuël 4:4). Mefiboseth was een kleinzoon van Saul, de aartsrivaal van David, maar hij was de zoon van Jonathan en Jonathan was de grootste vriend van David. Toen Mefibosets vader, Jonathan en zijn opa, Saul in de strijd omgekomen waren, werd hij door zijn voedster op de vlucht meegenomen. (2 Samuël 4:4). Maar de voedster viel, waardoor ook Mefiboseth op de grond terecht kwam.  Voor de rest van zijn leven was hij kreupel. Toen David hoorde, dat hij als enige nazaat van Saul nog in leven was, zei hij: deze kreupele Mefiboseth mag altijd bij mij aan de koninklijke tafel eten. (2 Samuël 9:10). Verbondenheid die alle rivaliteit en vijandschap te boven gaat.

Berouw. Het ging ook eens helemaal mis in het leven van David. Hij zag vanaf het dak van zijn paleis de mooie Bathseba die bezig was met baden. Hij liet haar halen, verleidde haar, verwerkte een kind bij haar en stuurde erop aan dat haar man Uria omkwam in de strijd. Een gruwelijke gebeurtenis. De profeet Nathan vergeleek David dan ook met een rijke man die het lammetje van zijn arme buurman stal, het lammetje dat door die arme buurman opgevoed werd als een eigen dochtertje. (2 Samuël 12:1-5) David heeft diep berouw. Het wordt verwoord in Psalm 51: Wees mij genadig, God, in uw trouw, u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, was mij schoon van alle schuld (51:1-2a), Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg. (51:10-11).

David – hij was zeker geen heilige. Maar wel iemand die om zijn fouten oprecht berouw kon hebben. En hij zocht elke keer wel weer de liefde en verbondenheid met de ander en probeerde bij alles was hem overkwam te vertrouwen op God. En daarbij denk ik dan ook aan die vrouw die zondares genoemd werd, maar van wie Jezus zei: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde. (Lucas 7:47).

David is niet de ideale mens, maar misschien staat hij juist daarom dichtbij ons: mensen die het steeds weer moeten hebben van vergeving en opnieuw beginnen. Maar die ook alle ruimte van God krijgen om verbonden te zijn met elkaar en met vertrouwen door het leven te gaan. Zoals eens David.

Het verhaal van je leven…

Preek over Psalm 103: 8-13 en Lucas 15:1-2, 11-32

Inleiding

Ons activiteitenjaar gaat weer van start. Bij alles wat we in de komende tijd in de kerk ondernemen gaat het om de verbinding van ons eigen levensverhaal met de verhalen uit de bijbel. De angst, het verlangen en het vertrouwen dat we in die oude vertellingen tegenkomen, kunnen ons nieuwe perspectieven geven. Vandaag staat de gelijkenis van de Verloren Zoon centraal. We worden geraakt door de mildheid van de vader, door de vrijheidsdrang en de omkeer van de jongste zoon, maar ook door de verongelijkte houding van zijn oudere broer. Herkenbare emoties. Uiteindelijk roept de parabel ons op om elkaar de ruimte te geven, maar daarbij elkaar niet los te laten. Vanuit de levens­houding: ik blijf met je verbonden.

Preek

Elk leven heeft een verhaal. Het verhaal van ons leven gaat over de fijne dingen en de lieve mensen om ons heen, de plannen die we hebben, maar ook over alles waar we tegenaan lopen, de mensen die we verloren hebben, de conflicten en dingen die we maar moeilijk verwerken. In de kerk staan we erbij stil, dat niet alleen ons eigen leven een verhaal heeft, maar dat er veel levens zijn met een verhaal, niet alleen nu, maar ook vroeger. En we realiseren ons dat je kunt leren van hoe mensen, soms uit lang vervlogen tijden, hun leven vormgaven: wat hun diepste verlangen en hun uiteindelijke toevlucht was. Die verhalen doen we op uit de bijbel. Die oude verhalen zijn een spiegel voor ons persoonlijk leven. Ze laten ons nadenken over de vraag: wat is echt van waarde, hoe ga je met elkaar om, wat hoop je en geloof je?

Vanmorgen staat het verhaal centraal uit een gelijkenis die Jezus vertelt. Nu is het wel belangrijk om erbij stil te staan, wat de aanleiding is voor Jezus om juist deze parabel te vertellen, dit verhaal over een betrokken vader, een levenslustige, maar wel koppige zoon en zijn jaloerse broer.

In welke situatie bevindt Jezus zich op dat moment? Er is een groep van nogal bedenkelijke mensen om hem heen: corrupte tolbeambten en andere mensen met een levenswijze waarbij je je vragen kunt hebben. De Farizeeën en de bijbelgeleerden die dat allemaal aanzien, zijn verbaasd: Waarom gaat Jezus met die mensen om? Met zulk uitschot wil je toch liever niet te maken hebben!

En dan vertelt Jezus de parabel van de Verloren Zoon om duidelijk te maken: Jullie Schriftgeleerden kijken op deze mensen neer, maar God is anders: voor Hem zijn zij de verloren kinderen die Hij met open armen ontvangt. En jullie zijn de brave verongelijkte broer, die niet mee wil vieren, dat zij er nu ook bij horen en voluit kinderen van God zijn. Dat is de achtergrond van dit verhaal.

En het thema dat uitgedrukt wordt in deze gelijkenis zou ik willen weergeven als: Ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden! Dat is Gods houding tegenover de tollenaars en andere onrechtvaardige mensen en ook ten opzichte van de farizeeën: Ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

Vervolgens biedt dit verhaal heel veel herkenningspunten voor ons leven: Laten we eens kijken met de ogen van de eigenzinnige, koppige jongen die weggaat. Ik heb er hier genoeg van; ik wil weleens wat anders. En misschien denken we terug aan de momenten in ons eigen leven dat we bruusk voor onszelf kozen. Dat we niet onderkenden dat we een ander pijn deden door ons uit eigenzinnigheid los te maken uit een band van liefde. Of, laten we eens kijken vanuit de positie van de Vader en ons herinneren, hoe pijnlijk het was, dat iemand die je zo liefhad dacht te weinig vrijheid te hebben en wegging, je achterliet – los wilde van alles wat jou zo dierbaar was. Vasthouden maakt het alleen maar erger. Je moet een ander nu eenmaal zichzelf laten worden. Maar het kan wel pijn doen. En diep in je hart blijf je denken: Toch blijf ik je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

De gelijkenis gaat verder: De jongste zoon krijgt slechte vrienden, profiteurs. En hij is zo naïef om het niet door te hebben. Hij geniet van de leuke feestjes! Maar waarom willen ze elke keer met hem de kroeg in.? Jij betaalt wel even, hè? Opnieuw kan er herkenning zijn. Mensen die van elkaar profiteren zullen er altijd zijn. Mensen die je laten vallen als ze je niet meer nodig hebben ook. Aanpappen met mensen van naam en invloed – dat is gemakkelijk, maar hoe populair zijn de mensen aan wie geen eer te behalen valt: de mensen die niet zoveel kunnen, gebrekkig zijn of dementeren? Het komt erop aan, dat er dan nog mensen zijn die zeggen: Maar ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

Jezus vertelt hoe de jongen alles erdoor jaagde in een ongeremd leven (Gr. a-sootos – geen redding, heilloos) En dan gaat het van kwaad tot erger. Er komt hongersnood. Hij klampt de mensen in het vreemde land aan. Uiteindelijk mag hij varkens gaan hoeden, wat vanuit Joods gezichtspunt beschamend en vernederend is. En het dieptepunt is wel, dat hij zijn maag wil vullen met de peulen die voor de varkens zijn. Maar niemand geeft ze hem. Erger kan het niet worden. We zien het voor ons en herkennen het misschien ook wel: al die mensen die totaal vastliepen: verslaafden, mensen die aan lagerwal raakten, die niet van drank of drugs af konden blijven, of die misschien zelfs in de criminaliteit terecht kwamen. Je wilde ze zo graag helpen, maar je was machteloos. En toch had je steeds het gevoel: Maar ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

En dan komt het moment van de omkeer. De zoon die met een lege maag bij de varkens zit, denkt: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. En hij gaat op weg en bedenkt allerlei dingen die hij zal gaan zeggen. We herkennen dat: Hoe kun je iets dat zo misgelopen is weer goedmaken? Wil die ander nog wel met jou verbonden zijn?

Dan komt het meest ontroerende moment in de gelijkenis. De Vader ziet hem al in de verte aankomen. Het lijkt wel alsof hij heeft staan wachten. Hij rent naar hem toe en slaat de armen om hem heen. Het zijn die aangrijpende momenten in ons leven, dat we zeggen: het is goed, we wilden die afstand niet. Niet alles kan uitgelegd worden, maar gelukkig: we hebben elkaar weer gevonden. Ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

Maar dan is daar nog die andere zoon. Een trouwe goedwillende jongen. Altijd heeft hij voor zijn vader gewerkt, nooit heeft hij een opdracht geweigerd. En nu zijn broer thuiskomt, die – volgens zijn zeggen – het geld er doorgejaagd heeft bij de hoeren, nu is het plotseling feest. We zullen het aanvoelen. Want de aandacht die gaat naar de teruggekeerde flierefluiter, stelt de oudere broer in de schaduw. En dat voelt niet eerlijk, want hij was loyaal en trouw. En dan kan Vader wel roepen: we moeten toch feestvieren!, maar dat kan een lastige opgave zijn. Hoe blijf je elkaar vasthouden? Hoe blijf je met elkaar verbonden? De gelijkenis eindigt met die vraag.

De schriftgeleerden stonden te luisteren en zullen nagedacht hebben over wat Jezus bedoelde: Niet alleen zij telden mee, maar ook die corrupte tolbeambten en al die mensen die er maar wat op los leefden. Waar doe je dan zo je best voor? In een andere gelijkenis stelt Jezus het nog scherper: Daar zegt een landheer tegen dagloners die zich benadeeld voelen: Kijk jij nu met een boos oog, omdat ik goed ben voor jullie allemaal? (Mattheus 20:15b)

Het verhaal van vanmorgen zegt veel over ons leven: Soms herkennen wij de Vader bij onszelf: de moeite om een ander zijn weg te laten gaan, maar ook het uitkijken, het diepe verlangen dat het goed komt. Met open armen klaar willen staan. Dan weer zien wij bij onszelf de zoon, die zelf iemand wil zijn, maar uiteindelijk toch weer hunkert naar de geborgenheid van thuis. Of we voelen die oudste broer in ons: de woede van de miskenning. En de blijvende uitdaging: laten we vrolijk zijn, feest vieren, als het weer goed komt.

Denkend aan de gelijkenis van de Verloren Zoon zie het beeld voor me van de Vader die daar staat met open armen om zijn zoon te ontvangen. Ik blijf je vasthouden! Ik blijf met je verbonden!

Het is niet alleen het uitdagende verhaal voor ons leven om daaraan vorm te geven. Het is ook een appèl aan onze wereld: Hoe blijf je elkaar vasthouden: in politiek, in economische belangen, in zorg voor onze aarde. Er zijn veel redenen om weg te lopen, het zelf wel te redden, boos en verongelijkt te zijn. Dit verhaal zegt. Blijf ondanks alles met elkaar verbonden.

En uiteindelijk is daarbij de diepste grond: God, onkenbaar, in alles diep verscholen, laat zijn geest van liefde in ons doorwerken.  Hij geeft ons de ruimte en Hij blijft met ons verbonden.

Het is heel dichtbij je:

In je mond en in je hart…

Preek over Deuteronomium 30:11-19 en Marcus 12:28-34a

Inleiding

Voor veel mensen vandaag staan geloof en bijbel ver van het gewone leven af. De tekst van vanmorgen laat ons zien dat dat niet klopt: de leefregels van God gaan over het gewone, aardse leven. Ze zijn heel dichtbij: in je mond en in je hart. Daarom draagt een Jood ze, bij het gebed, in doosjes op het voorhoofd en op de hand en worden ze bevestigd in een kokertje aan de deurposten. Nog belangrijker is, dat de leefregels ze iets van jezelf worden. De kern is: hoe word ik een mens die zelf vrij is, anderen de vrijheid gun en betrokken is op wie tekort komen. Dat is: kiezen voor het leven.

Preek

Wat heb je in een wereld met zoveel vragen over milieu geweld, economie, politiek nu eigenlijk aan zo’n ouderwets boek als de bijbel. Dat hoor je regelmatig vragen. En ook: hoe kun je als modern denkend mens in al die verhaaltjes, en regeltjes van vroeger geloven? Dat is toch al lang achterhaald. Het is allemaal zwaar en ouderwets en het ligt ver buiten ons bereik.

Ik denk dat het bijbelgedeelte van vanmorgen daarop direct inspeelt door te zeggen: De leefregels zijn niet zwaar en ze liggen niet buiten je bereik. Het zijn welswaar oude, maar toch heel actuele woorden uit het geloofsgoed van Israël. Want juist van Israël kunnen we leren: niet allerlei leringen en visies op God zijn belangrijk. Ga daar ook niet over twisten. Het draait in ons leven en samenleven om concrete aardse zaken en daarmee om wat God wil. En voor dat gewone leven maakt het alles uit of je je door de levenswoorden laat inspireren en gezeggen. Als je het doet, is dat: kiezen voor het leven.

Het klinkt bijna komisch als we lezen: De geboden zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: ‘Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen.’ Maar de zin is: Het gaat niet om zaken die je door een hemelse stem hoort, of die je van God af kunt smeken. Het is allemaal op schrift gesteld, door Mozes overgeleverd. En doe het maar gewoon. En verder lezen we: Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: ‘Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?’ Dus dat betekent: je hoeft niet overal de wereld door te gaan om je wijsheid van andere volken eigen te maken. Nee, het ligt veel dichter bij je. De geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen. Letterlijk staat er: Dit woord is heel dicht bij je, in je mond en in je hart, om het te volbrengen. Als mensen zouden beweren Wat er in de kerk gebeurt en wat er in de bijbel staat heeft niets te maken met de vragen van onze wereld, ligt hier het antwoord: waar het bij geloven om gaat is juist dat dat we in ons hart het wezen van de leefregels opgenomen hebben. En het ‘hart’ betekent in de bijbel niet gevoel en sentiment, maar het hart – dat is: je hele wezen: dat wat je als geheel bent met alles wat je wilt, kunt en voelt. En met je mond communiceer je: je bemoedigt de mensen om je heen, of valt hen af, je spreekt hoop uit voor de toekomst of praat iedereen de put in, je klaagt aan of je spreekt vrij. Het doet er dus zeker toe hoe je je mond gebruikt.

Wil je Thora doen met hart en mond, dan hoef je geen ingewikkelde theologie gestudeerd te hebben. Je hoeft je ook geen diepzinnige wijsheid van vreemde volken eigen te maken. Het gaat erom dat je je de richtingwijzers voor het echte leven eigen maakt, door ze telkens weer voor ogen te houden. Er staat in het boek Deuteronomium: Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze je kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als je naar bed gaat en als je opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. (Deuteronomium 6:6-9) Joden nemen dat letterlijk: ze dragen bij gelegenheid: een doosje met deze bijbelteksten op hun voorhoofd en op hun arm. En bekend is ook het metalen kokertje met bijbeltekst dat op de deurpost bevestigd wordt, de mezoeza. Zo houden Joden zich steeds opnieuw de richtlijnen naar het leven voor. Uit de leerpsychologie weten we, dat je iets pas echt eigen maakt door het keer op keer te oefenen. Dan wordt het iets van jezelf. En daar gaat het hier om. Het mogen geen abstracte regeltjes blijven, geen vastgeroeste visies, maar het gaat om een transformatie van jezelf. Dat wordt heel mooi gezegd door de profeet Jeremia als het spreekt over het komende verbond dat God wil sluiten: Ik zal mijn Thora in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen, ”want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al. (Jeremia 31:33b-34a)

Het gaat erom, dat we ons dus iets wezenlijks eigen maken. Dat zou onszelf, maar ook onze samenleving echt kunnen veranderen. Dat zou de waarde kunnen zijn van geloof en kerk voor onze wereld, ook nu. Maar de vraag is dan natuurlijk: Wat is dan dat wezenlijke? Dat kan niet liggen in een serie voorschriften. Een schriftgeleerde gaat naar Jezus toe met de vraag: waar komt het dan uiteindelijk op aan? Wat is de belangrijkste leefregel? En het antwoord van Jezus is: Liefde. Liefde waarmee je je met hart en ziel met God verbindt en met je naaste. Dat klinkt mooi, maar juist zo’n antwoord zal, zeker bij mensen van nu, direct allerlei vragen oproepen. Hoe heb je God lief, die je niet kunt zien of horen? Ik zoek voorzichtig een antwoord: Zou de liefde naar God toe misschien iets te maken kunnen hebben met onze dankbaarheid voor het leven. Ons eigen bestaan, de mensen om ons heen, de prachtige, overweldigende natuur. Zou liefde zijn, dat je zegt: God, ik dank u voor de gave van mijn leven, ons leven dat zoveel diepte en schoonheid heeft. Ik dank U dat wij ook in moeilijke momenten houvast vinden aan U en aan elkaar: kracht van uw aanwezigheid die ons doorstroomt. En vanuit die verbondenheid met U wil ik met alles wat in mij is zelf ook meebouwen aan het leven van ons allen en van uw wereld. Maak mij een werktuig in uw hand. Misschien is liefde naar God toe zoiets. En verder hangt die liefde naar God onontvlechtbaar samen met de liefde naar de ander. Johannes schrijft in zijn eerste brief: Iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft. (1 Johannes 4:20).

Dat brengt mij dan bij het tweede kernpunt van de Thora: ‘Heb je naaste lief als jezelf.’ Direct vragen mensen dan: Kan dat wel? Wij denken als egocentrische wezens toch vaak het meest aan onszelf. Of iemand zegt: ik kan niet van mezelf houden, dus als ik evenveel van een ander moet houden, schiet die ander er niet veel mee op. Afgezien daarvan: hoe zou ik ooit kunnen meten of ik evenveel van de ander houd als van mezelf. Nutteloze vragen. Ik denk overigens dat het Hebreeuws van de tekst die Jezus hier citeert ook een andere vertaling toelaat: Je zult liefhebben de ander, die is zoals jij. Zo’n vertaling zet je op een ander spoor: verdiep je in wat een ander voelt en doormaakt. Hij of zij is net als jij. En vandaar uit kun je meevoelen, betrokken zijn, liefhebben. Jezus haalt de gedachte van de naastenliefde uit Leviticus 19(:16-18). En het is boeiend om te lezen waarover het dan gaat: Maak het leven van een ander niet kapot (Letterlijk: ‘sta niet tegen het bloed’) door lasterpraat rond te strooien. (…) Wees niet haatdragend. Als je iemand iets verwijt, leg het hem eerlijk voor (…) En dan volgen die woorden: heb je naaste lief, want hij is als jij. Hoe wil je zelf behandeld worden?

In dit alles worden uiteindelijk al die 613 ge- en verboden samengevat. Al die leefregels zijn erop gericht zijn om de wereld liefdevoller en vreedzamer te maken. Voor mijn besef kun je er twee hoofdlijnen uithalen: bevrijding en verbondenheid. Zo vind je het ook terug in de tien geboden. Bevrijding: Ik ben de Heer je God, die je uit het land Egypte, uit het slavenhuis bevrijd heb. Met die bevrijding beginnen de Tien Woorden. En alle geboden hebben met bevrijding en vrijheid te maken – zelfs als dat anders lijkt. De Sabbat is een Bevrijdingsdag van het werk, geen dag van beknelling. Niet doodslaan is: de ander vrijheid van leven gunnen. Maar het gaat niet alleen om bevrijding in de Thora, ook om verbondenheid met elkaar. Soms lijkt dat op gespannen voet te staan: want als ik vrijheid zoek, heb ik mogelijk de neiging om mij niet meer te verbinden. Maar het gaat er juist om, dat je vrijheid en bevrijding voor iedereen zoekt en daarbij juist vasthoudt dat het belangrijk is om met die ander verbonden te blijven, juist met wie het het meest nodig hebben. Daarom moet je niet al te gemakkelijk je relatie verbreken voor een ander. Dat is overigens wat anders dan: je mag niet scheiden. Daarom moet je niet liegen over een ander: eigenlijk is bedoeld: je moet hem in de rechtszaal niet met valse argumenten aanklagen. Daarom ook zou je ouders en ouderen met zorg moeten behandelen, om wat ze aan jou overgedragen hebben. Dat is: eer uw vader en uw moeder.

De kernvraag is: hoe word ik een mens die in vrijheid en verbondenheid met anderen mijn leven leef. Hoe bevrijden we elkaar uit uit regels, wetten, structuren, denkwijzen. En vooral: hoe verbinden we ons? Hoe zijn we ook als samenleving verbonden met mensen die het niet redden, vaak door onze politieke en economische systemen. Ik denk dan maar aan het bijbelse gebod om de rand van je korenveld niet af te maaien, maar de laten staan voor armen en vreemdelingen. (Leviticus 23:22). Vrijheid en verbondenheid.

Als mensen zeggen: wat de kerk leert is zwaar en ligt buiten je bereik, laten we zeggen: Als je deze passie tot vrijheid en verbondenheid maakt tot iets van jezelf, open je de weg naar een liefdevollere wereld. Ja, we staan – ook in onze tijd – voor de keuze van leven en dood. Laten we kiezen voor het leven, voor onze eigen toekomst en die van hen die na ons komen.

Onbezorgd zorgzaam…

Preek over (Psalm 24:1-5 en) Lucas 12:21-33,35

Inleiding

Er zijn veel dingen waar onze zorgen naar uitgaan: onze aarde die bedreigd wordt door vervuiling en klimaatverandering, spanningen in de wereldpolitiek, de verharding van mentaliteit. Daarnaast zijn er onze persoonlijke zorgen rond relaties, gezondheidsproblemen en verlieservaringen. Jezus houdt ons voor onze zorgen los te laten. Hij bedoelt niet dat we zorgeloos en onverschillig worden, maar dat we op een zorgzame manier onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, vanuit het vertrouwen, dat God ons leven en onze wereld omgeeft en draagt.

Preek

De toekomst is onzeker. Daar worden we keer op keer opgedrukt. Trump ontketent een handelsoorlog met China en direct kelderen er allerlei koersen. De reden is: beleggers verliezen hun vertrouwen. De toekomst is onzeker.

In Amerika zijn weer twee aanslagen geweest. Binnenlands terrorisme – heet dat. Maar het gaat verder. De schutter in El Paso zag zichzelf als onderdeel van een internationale beweging. Die beweging is bang een invasie van emigranten uit Zuid-Amerika de witte bevolking van Amerika zal aantasten en dat en de instroom van mensen uit het Midden-Oosten en Afrika een bedreiging vormen voor het blanke Europa. Angst brengt mensen als deze terrorist tot een complottheorie en het gevolg is geweld en veel slachtoffers. De toekomst is onzeker.

Er verandert van alles in onze wereld. Aangrijpend vond ik een film van de Engelse natuurfilmer David Attenborough. Hij laat de gevolgen van de klimaatveranderingen zien: Zeehonden raken het landijs kwijt en trekken zich terug op rotsen: daar horen ze van nature niet en het gevolg is, dat er heel wat te pletter vallen. En dat is dan nog maar een van de vele bedreigende ontwikkelingen door de klimaatverandering. De toekomst is onzeker.

Verwarring en onvoorspelbaarheid – niet alleen in de grote wereld, maar ook in kleinere verbanden. Onzekerheid, vaak ook in ons persoonlijk leven. Hoe ga je ermee om?

De woorden van Jezus, die we vandaag gelezen hebben, dagen ons uit om de toekomst, met al zijn zorgen, toch met vertrouwen tegemoet te gaan. Daarbij gaat het erom, dat we een omslag doormaken van kleingelovigen, mensen met weinig vertrouwen (Gr. oligopistos – kleingelovig, met weinig vertrouwen), naar het tegendeel: mensen die juist leven vanuit een groot vertrouwen. Jezus zegt: als je ziet hoe onbezorgd vogels zijn en hoe bloemen in hun pracht bestaan, bedenk dan eens: Met hoeveel meer zorg zal [God] jullie dan niet kleden, kleingelovigen? Ik denk, dat dat voor ons persoonlijk, maar ook met het oog op onze wereld een heel actuele boodschap is. Wees niet kleingelovig, maar grootgelovig: vol vertrouwen. Dat is wat wij ook vanuit de kerk zouden kunnen uitdragen.

Nu zijn er twee valkuilen. De eerste valkuil is, dat je in je grootgelovigheid vervalt tot naïviteit. De tweede is, dat de grootgelovigheid je zou brengen tot passiviteit. Die beide dingen zou je moeten vermijden. Allereerst de naïviteit. Je bent naïef, als je ernstige ontwikkelingen niet onder ogen wilt zien. Je zegt dan te gemakkelijk: het valt wel mee en het komt wel goed. Niemand kan precies inschatten hoeveel vaart het loopt met alle veranderingen en dreigingen op aarde: op het gebied van milieu, klimaat, geweld in de samenleving, verandering van mentaliteit. Maar wat je in ieder geval niet moet doen is: je kop in het zand steken. Als wij kritisch denkende mensen willen zijn, vanuit welk geloof of achtergrond ook, wordt er nu van ons verlangd om een open geest te hebben en een alerte waarneming. We moeten ook niet te snel zeggen: God zal alles wel in goede banen leiden. Als je dat te vlug zegt, is het naïef.

Dat brengt mij bij het tweede, dat we zouden moeten vermijden: passiviteit. Als je de woorden van Jezus oppervlakkig leest, zou het je kunnen brengen tot een houding van passiviteit. We lezen: Kijk naar de raven: ze zaaien niet en oogsten niet, ze hebben geen voorraadkamer en geen schuur, het is God die ze voedt. Dan zou je de neiging hebben om te zeggen: Ga er maar rustig bijzitten. God regelt het wel. En verder lezen we: Als jullie zelfs het geringste al niet kunnen, waarom maken jullie je dan zorgen over de rest? Weer zo’n uitspraak die een oproep lijkt tot passiviteit: zelfs het minste kun je niet, dus geef het maar op. Toch kan dat de bedoeling niet zijn, want verderop blijkt, dat er juist wel iets van ons wordt verwacht.

Het gaat erom, dat we moed en vertrouwen krijgen met het oog op de toekomst, maar dat we niet naïef zijn en niet passief worden. En dat we op een goede manier omgaan met dat wat ons zo vaak parten speelt: onze zorg. Jezus zegt: Maak je geen zorgen. Dan begrijpen we, want zorgen kunnen je vertrouwen wegnemen. Maar hoe zit het nu precies met ons woord ‘zorg’? Wat bedoelen we ermee? Het kan zowel een positieve als een negatieve betekenis hebben. ‘Zorgend bezig zijn’ kan van grote waarde zijn: je geeft zorg aan iets, je bent zorgzaam, je zorgt voor elkaar. Ja sterker nog: Als die zorgzaamheid ontbreekt, is er iets mis. Dan ben je gemakzuchtig en onverschillig: zorgeloos. Je mist de goede zorg. Maar datzelfde woord ‘zorg’ gebruiken we ook in negatieve zin: Ik maak mij zorgen. Ik zit diep in de zorgen en de schulden. Die zorg legt een druk op mijn leven.

Eén woord – ‘zorg’ – en toch twee uiteenlopende betekenissen en gevoelswaarden. En nu is het lastige, dat de twee betekenissen van ‘zorg’ ook dicht tegen elkaar kunnen liggen en soms door elkaar heenlopen. Iemand vraagt: Wat kijk je zorgelijk? En je zegt: ik voel me ook verantwoordelijk en het is mij een zorg, dat het goed loopt. En de ander antwoordt: Dat kan wel, maar door al die zorgen moet je er niet zelf onderdoor gaan. Het is onze gezamenlijke zorg. Zo kan sterke, positieve zorgzaamheid gemakkelijk worden tot bezorgdheid, of zelfs overbezorgdheid – en dat heeft iets negatiefs. En omgekeerd: het loslaten van de goede zorgzaamheid kan ertoe leiden, dat je je nergens meer mee verbindt en alles maar zijn gang laat gaan, wat dramatische gevolgen kan hebben.

Jezus roept ons wel op tot onbezorgdheid en vertrouwen, maar niet tot niet tot zorgeloosheid die alles maar loslaat. Misschien kun je het zo samenvatten: Jezus bedoelt: onbezorgde zorgzaamheid. Maar hoe bereik je dat?

Mensen proberen onbezorgd te zijn door allerlei garanties in het leven in te bouwen: ze verzamelen zich schatten op aarde, ze slaan die op in schuren om verzekerd te zijn van een goede toekomst. Maar Jezus vertelt over de man die dat alles gedaan had en stierf. Zo garandeer je je geen goede toekomst. Anderen vinden misschien vastheid in de macht die ze zich eigen maken of in populariteit. Ook dat blijkt een illusie. Uiteindelijk blijven de zorgen. En dan maakt Jezus duidelijk: de zorgen die je je maakt en het gebrek aan vertrouwen heeft alles te maken met het feit, dat je geen besef hebt van God. Want dat voortdurende zoeken (Gr. zèteoo – zoeken, nastreven) naar eigen zekerheden is iets wat de mensen doen die God niet kennen. Lucas duidt ze hier aan als: de volken van deze wereld.  

Daartegenover staan de mensen tegen wie Jezus spreekt. Hij heeft hun verteld, dat de Nieuwe Wereld van God aan het doorbreken is in deze wereld. Gods kracht, Gods Rijk van liefde, is werkzaam onder ons. Wees niet bang niet, kleine kudde, zegt Jezus, want jullie Vader heeft jullie het koninkrijk willen schenken. Zoek dan niet langer naar al die schijnzekerheden, maar zoek die nieuwe Wereld en streef die na. Laat Gods Geest in je doorwerken en onze wereld vernieuwen.

Je kunt je druk en bezorgd maken over van alles en nog wat, maar die bezorgdheid voegt niets toe. Wat helpt dan wel? Uiteindelijk deze twee zaken: Zorgzaamheid en vertrouwen. Jezus spoort ons aan om in zorgzaamheid bezig te gaan: Zoek eerst Gods Nieuwe Wereld van Liefde. Mattheus voegt er nog aan toe: en zijn gerechtigheid. (Mattheus 6:33). Probeer iets waar te maken van de Liefde en Vrede die God in onze wereld wil brengen. Concreet kan dat zijn, dat je aandacht geeft aan wie opgenomen is of wie vereenzaamt. Het kan ook zijn inzet voor klimaatbeheersing, of zorg voor onze leefomgeving. Of verder weg: aandacht voor katoenboeren in India of voor schoolkinderen in Gambia. De Nieuwe Wereld omvat alle landen en alle volken. En als je je daarvoor inzet, zegt Jezus, dan zal het andere je erbij gegeven worden (Gr. pros-tithèmi – erbij zetten, toevoegen). (Lucas 12:31).

Maar hoe weet je dat dan? Als je alleen maar denkt vanuit prognoses en calculaties, zul je misschien niet erg optimistisch zijn over onze wereld en onze toekomst. Berekeningen leiden vaak niet tot vertrouwen. Het vertrouwen dat het goed komt, berust erop, dat je vermoedt en gelooft dat God in en door ons heen werkt, zoals het verwoord wordt in een bekend lied: Gij zijt in alles diep verscholen, in al wat leeft en zich ontvouwt, maar in de mensen wilt gij wonen, met hart en ziel aan ons getrouwd. (Lied 275:4). De toekomst van onze wereld is onzeker, en wij kunnen niet alles oplossen. Maar onze wereld wordt gedragen door wat ons verstand te boven gaat. Door God. En als we die opbouwende kracht van God de ruimte geven – ook al is het in de kleine dingen – dan komt het met al die andere dingen, waarover wij ons soms zorgen maken, ook wel goed.

Money, money, money…

Preek over Prediker 2:22-24; 3:13 en Lucas 12:13-21

Inleiding

Er draait veel om geld en dat begrijpen we, want geld maakt het leven onbezorgder en voegt er iets plezierigs aan toe. Toch beseffen we ook, dat geld geen geluk garandeert. In het Oude Testament wordt rijkdom gezien als zegen van God, hoewel Prediker de waarde ervan relativeert: pas als God je ervan laat genieten, heb je er iets aan. Jezus benadrukt, dat geld een risico in zich bergt. Mensen zien het als basis en vulling van hun leven en realiseren zich niet niet dat mot en roest ze wegvreten. Hij leert ons: Laat het bezit jou niet in zijn bezit nemen, maar wees ‘rijk bij God’. Dan vult je leven zich met vertrouwen, liefde en hoop.

Preek

Er draait veel om geld. Als je de nieuwsthema’s nagaat, komen vaak vragen aan de orde rond betaalbaarheid, grootgeldbezit, belasting. We horen over onbetaalbare huren, mensen die het financieel niet rond krijgen, grote bedrijven die aan fiscale ontwijking doen, miljardairs die zich buitensporige dingen permitteren, textielfabrieken waar arbeiders werken voor een hongerloon, katoenboeren in India die uit wanhoop zelfmoord plegen. Er draait veel om geld en de hang naar bezit maakt veel kapot. Vandaag gaat het over bezit: het geluk en de grote gevaren van rijkdom.

Laten we beginnen met te stellen, dat je bezit nodig hebt en dat het ook waarde voor je heeft. Juist diegenen die op dit moment geen oogst hebben of die het moeten doen met een stervende veestapel zullen dat naar voren willen brengen. Ga niet de armoede als ideaal verheerlijken. Het is van grote waarde om genoeg te eten te hebben en nog iets meer, dat het leven feestelijk maakt. In het Oude testament wordt een groot bezit aan schapen, geiten of kamelen dan ook gezien als een zegen van God. Opvallend is, dat er meestal niet een apart woord voor ‘rijk’ gebruikt wordt, maar dat er letterlijk staat: Abraham was heel zwaar (hebr. kabad) aan vee, aan zilver en aan goud. (Genesis 13:2). Of er wordt gezegd: God heeft hem groot gemaakt (Hebr. gadal) (Genesis 24:35). Abraham, Izaak en Jacob en Ezau waren rijk gezegend en dat gold ook voor Job. Job wordt zelfs de rijkste (hebr. gadol – groot) man van het Oosten genoemd.  (Job 1:1)

Rijkdom was dus iets dat een positieve glans aan je leven gaf. Maar: wat goed en fijn kan zijn, draagt niet automatisch aan je geluk bij. Rijkdom garandeert geen geluk. Prediker wil weleens uitproberen wat een groot bezit nu precies bijdraagt aan je leven. Hij schrijft: ik bouwde huizen, plantte wijngaarden, legde hoven en parken aan (…) kocht slaven en slavinnen (…) had een talrijk bezit aan runderen en kleinvee, (…) zilver en goud (…). Zo werd ik groter en rijker dan allen die voor mij te Jeruzalem geweest waren. (Prediker 2:4-9). Maar hij moet concluderen: Het is lucht en najagen van wind (Prediker 2:11). En verderop in zijn geschrift laat hij ons zien hoe triest het is als je je mooie dingen in je leven hebt, maar er niet van kunt genieten. Stel: God geeft iemand rijkdom, bezittingen en aanzien; er ontbreekt hem in zijn leven niets van wat hij zich gewenst heeft, maar God staat niet toe dat hij ervan geniet. (…) Leegte is het, een ellendige en trieste zaak. (Prediker 6:2). Maar – omgekeerd – als God je er wel laat genieten is het een gave die je van hem krijgt: Wanneer [een mens] zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God. (Prediker 3:13).

Maar al die mooie en fijne dingen, kunnen ook een ‘sta in de weg’ voor je worden. Dat komt, omdat ze, ook – op een bepaalde manier – jou in hun greep hebben. Wat je bezit, kan bezit van jou nemen. Dat gebeurt wanneer de plezierige en aangename dingen alleen maar aanschaft om ze nu te hebben, of om ze te laten zien aan een ander. Dan geniet je er niet langer van als een geschenk dat jou gegeven wordt, maar dan wil je er meer en meer van: geld, luxueuze dingen, het mooiste van het mooiste, het duurste van het duurste.

We kunnen dat op persoonlijk niveau tegenkomen, maar ook in de wereld om ons heen: reclames spiegelen ons de prachtigste auto’s, de verleidelijkste cosmetica en betoverende vakanties voor. Laten we er niet direct veroordelend over praten, maar laten we onderkennen hoeveel zuigkracht van dit alles uitgaat. Geld en bezit kunnen je innerlijk meenemen en wegvoeren van wat er echt toe doet. Ze kunnen een wereld apart gaan vormen: een wereld van rivaliteit en verlangen naar ultieme rijkdom. De Quote, die we kunnen raadplegen op internet, laat ons iets zien van die hang naar buitensporigheid: Een Nederlandse familie bezit 22 miljard Euro, een zakenvrouw heeft een vermogen van 12,8 miljard Euro. Er is ook een tragische daler bij: iemand die 80 miljoen Euro bezat, raakte vorig jaar maar liefst 40% van zijn vermogen kwijt.

De vraag die ik bij dit alles stel, is: heeft dit te maken met het genieten van het goede leven dat je als mens gekregen hebt. Ik denk dat we het eerder kunnen zien als een spel van bedrieglijk verlangens.

Het brengt ons bij wat Jezus ons te zeggen heeft over bezit en rijkdom. Laten we om te beginnen vaststellen, dat Jezus de goede dingen van het leven genoten heeft. Hij bezocht maaltijden bij hooggeplaatste farizeeën. (Lucas 7:36). In Kana redde hij een vrolijke bruiloft van een gebrek aan feestwijn. (Johannes 2:1-11). Hij was zeker geen asceet. Kwaadwillende mensen vergeleken hem met de uiterst sobere Johannes de Doper en zeiden: Jezus eet en drinkt heel wat! (Mattheus 11:19). En er waren ook mensen van aanzien onder zijn vrienden, onder wie de rijke Josef van Arimatea. (Mattheus 27:57).

Toch stelt Jezus zich heel kritisch op tegenover bezit en rijkdom. En dan gaat om het bedrieglijke verlangen dat zo vaak met bezit verbonden is. Vooral de illusie dat bezit en geld de basis van je leven zouden vormen. Het woord dat vertaald wordt met ‘rijk’ (Gr. ploutos) betekent ook ‘volheid’ en hangt samen met het werkwoord ‘vullen’ (Gr. plèthoo, pimplèmi). Je zou dus kunnen zeggen: Rijkdom geeft de vulling en volte aan je leven. En daar ligt nu ook het belangrijkste punt. Jezus zegt: Mot en roest vreten onze schatten op aarde weg en dieven breken in om ze te stelen. (Mattheus 6:19). Dan geven ze dus nooit echte volte, je kijkt er zo doorheen. Ze zijn illusie, zinsbegoocheling. Zorg dus liever dat je een schat in de hemel hebt, dat is: verbondenheid met God. Als je je leven daarop gericht hebt, ligt daar ook je zwaartepunt. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. (Mattheus 6:21).

Een man wilde oprecht en eerlijk leven. Hoe doe je dat? Jezus zegt: probeer dan te leven volgens de leefregels van God. Dat doe ik al zei hij. Toe zei Jezus: als je echt gericht wil zijn op die nieuwe wereld van God. Laat dan al je spullen achter en ga met mij mee. Hij werd heel verdrietig. Hij kon het niet. Hij had teveel. En dan zegt Jezus: Wat je hebt, maakt jou zó tot bezit maken, dat je verlangen niet meer uit kan gaan naar Gods Nieuwe Wereld. ‘Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ (Lucas 18:25).

Dat is niet als ontmoediging bedoeld, maar als aanmoediging om door bedrieglijkheid van bezit heen te prikken en te kijken: wat geeft dan wel volheid, wat geeft grond aan mijn leven.

Voor de rijke man uit de gelijkenis van vanmorgen, lag de volheid in alles wat hij aan bezittingen verzameld had, voor later.  Dat leek een veiligstelling. Maar – zoals Jezus op een andere plek zegt: Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet? Mattheus 16:26) De bezittingen vormden een schijnzekerheid, een illusie. Ze gaven niet de echte volte aan het leven.

Die vind je, zegt Jezus: als je ‘rijk bent bij God, in God’ (Gr. eis – naar…toe, met het oog op). Wat zou dat zijn? Ik denk allereerst dit: Het vertrouwen dat je leven omringd is door God. Dat hij zorg voor je draagt. Misschien ervaren we het niet altijd en kunnen we het ook vaak niet rijmen met ons verstand. Maar dat diepste vertrouwen kan ons helpen om onze zorgen los te laten, wat er ook komt. Dat is een ervaring van rijkdom. In de tweede plaats is ‘rijk zijn bij God’ het besef: God geeft mijn leven richting, invulling. Ik ben niet zomaar een keten levende cellen, dat als hoogste doel heeft genieting of zelfhandhaving. Nee, ik mag mijzelf ontwikkelen om bij te dragen aan de wereld van God. Als het daarbij gaat om geld en goed betekent dat: ik mag in wat ik verwerf delen met anderen en zo de wereld een beetje mooier maken: verantwoordelijkheid op mij nemen, mensen tegemoetkomen die het slachtoffer worden van een corrupte wereldeconomie of van alle klimaatveranderingen. Ik heb in Gods naam iets te doen. En dat geeft mijn leven vulling en rijkdom. In de derde plaats zal ‘rijk zijn in God’ de grenzen van dit bestaan overstijgen: hier en nu wordt tenslotte alles weggevreten door mot en roest. Daartegenover is het een rijkdom om te beseffen: er stijgt iets boven dat vergaan uit. Moeilijk om te verwoorden wat dat is. Het gaat vooral om ervaren, vermoeden, vertrouwen: verbonden zijn met de Eeuwige, geborgen zijn in Gods Licht voorbij aan het vergankelijke.

Ik denk, dat ieder mens in zijn leven op zoek is naar vulling van zijn leven, iets dat je bestaan volte geeft. Jezus leert ons te genieten van het goede, maar hij waarschuwt ons om ons niet te verliezen in dat wat niet meer is dan schijn. En hij spoort ons aan om op zoek te gaan naar andere rijkdom, die ons leven wel vult met vertrouwen, liefde en hoop.

Je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk…

Preek over Psalm 27:1-5, 7 en Lucas 10:38-42

Inleiding

Vanaf het moment, dat het nieuws ons huis binnenkomt is er onrust. We verbazen ons over de gruwelijkheden in de wereld en zijn bezorgd om de toekomst van onze planeet. Bij dat alles zijn er nog onze persoonlijke beslommeringen.

Het verhaal over Martha en Maria dat vanmorgen centraal staat, maakt ons bewust van die onrust. Jezus zegt: Martha, Martha, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. We zullen dit wel herkennen. Jezus houdt ons voor om in de veelheid van emoties en zorgen te zoeken naar het ene: het enige wat nodig is. Wat dat is staat er niet bij, maar –  in de lijn van Jezus – kan het zijn: geef je zorgen uit handen, vertrouw erop dat je er mag zijn zoals je bent en werk aan Gods wereld van eerlijkheid en liefde.

Preek

Als je ’s morgens de radio aanzet om het nieuws te horen, worden je gedachten al meegenomen door een wervelwind van informatie: een uitspraak van een staatshoofd, de resultaten van een onderzoek, een ongeluk of schietincident, een nieuwe bedreiging van onze natuur of onze leefwereld. Er zitten vaak ook dingen bij, waarvan ik direct al denkt: waarom wordt deze onzin verteld? Waarom is het belangrijk dat wij dit weten. Intussen gaat er van alles door onze geest heen aan emoties: wat stom om zoiets te zeggen, wat erg: die aanslag, hoe moet het toch verder met onze wereld?

En na het nieuws op radio of tv, begint ons leven van alledag. Ook al zo’n wervelwind aan gedachten en emoties: Heb je hier wel aan gedacht? We moeten we zorgen dat we op tijd… Hoe zou het toch zijn met…?  Ik voel hier pijn en heb daar last van. Je geest vliegt overal heen en het gevolg is: onrust en onzekerheid en schuldgevoel. Hoe kun je met twee handen tien ballen tegelijk vangen?

Over onrust gaat het vanmorgen en daartegenover: stabiliteit, over al die dingen die onze gedachten uiteendrijven en daartegenover: het ene, waarin we zo graag houvast willen vinden.

Het besef, dat we ons leven niet in eigen hand hebben, maar door van alles en nog wat meegesleurd worden, is ook een onderwerp in de filosofie. De Romeinse staatsman en filosoof Seneca schreef er eens een brief over aan een jonge vriend: Lucilius. Hij schrijft: verzamel en behoud de tijd, die tot nu toe werd afgenomen of werd ontfutseld of ontviel. (…) sommige momenten worden ons afgenomen, sommige stiekem ontnomen, sommige verdwijnen eenvoudigweg. En daarom raadt Seneca zijn vriend aan de tijd zelf in handen te nemen en te doen wat je echt belangrijk vindt. Seneca schrijft: Omarm alle uren. (…) Alle dingen, Lucilius, zijn van anderen, slechts de tijd is van ons. (Brieven aan Lucilius: brief 1)

Ja, de tijd is van ons, maar soms is het zelfs een hele opgave om dat ene te vinden wat je dan met je tijd zou willen doen. Want: wat is het ene dat je verlangt? Waar gaat je hart echt naar uit? Dat hangt ook af van de situatie waarin je bent. Soms ontmoet je in je leven weerstand en onwil, soms kwaadwilligheid. David, van wie Psalm 27 zou zijn, zegt zelfs: Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden, mijn vijanden belaagden mij. Dat is extreem. Maar het kan wel zijn, dat ook wij voelen dat er dreigende krachten om ons heen zijn: opmerkingen van mensen, kritische blikken, verwachtingen die je niet waar kunt maken, een naar gevoel in je lijf, een gevoel van verlatenheid, angstige voorgevoelens. In een bepaald opzicht: allemaal vijanden die je belagen. En dan zegt David: Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven. Dat is dus blijkbaar het rustpunt in de turbulentie van het leven: Bij God te zijn. De psalm beschrijft dat op verschillende manieren: Wonen in het huis van de Heer, zijn liefde voor je te zien, hem te ontmoeten in zijn tempel. Maar ook: te schuilen onder zijn dak, veilig te zijn in zijn tent. En zelfs: hoog op een rots gezet worden, zodat je weer over je leven uit kunt kijken. Een veelheid van beelden om te zeggen: dit is het ene wat ik verlang: dat ik boven alle beweging en turbulentie uit een rustpunt vind: nabijheid van de Eeuwige, geborgenheid. Wat dat is, kun je moeilijk omschrijven: het is de ervaring: ik word, hoe dan ook, gedragen door wat mijn verstand te boven gaat. God, in U vind ik rust.

Rust en onrust – Het brengt mij bij het verhaal van Martha en Maria. Als je dat verhaal leest kan het in eerste instantie irritatie oproepen, boosheid zelfs. Jezus komt in een dorp. Daar woont een zekere Martha met haar zus Maria. Martha lijkt te denken: aan deze man zou ik aandacht moeten geven en gastvrijheid moeten verlenen en ze nodigt hem uit om bij haar thuis te komen. Dat houdt dan ook in dat je van alles doet om het je gast naar de zin te maken en hem, te verzorgen en eten en drinken te geven – zo gaat dat bij de oosterse gastvrijheid. En dat doet Martha dan ook van harte. En dan komt haar zus Maria er ook bij. Zij gaat bij de voeten van Jezus zitten en luistert naar hem, zoals het in die tijd gebruikelijk was dat leerlingen wijsheid tot zich namen van hun leermeester. Wij kunnen ons zo goed de ergernis voorstelen van Martha. Zij had Jezus uitgenodigd. Zij had hem alle verzorging gegeven. En nu zit haar zus daar rustig wat te luisteren en doet niets. En het zal ons waarschijnlijk ook raken als we Jezus horen zeggen: Martha, je maakt je veel te druk. Maria, die hier zit te luisteren heeft het goed deel gekozen. Hoezo? Had Jezus niet wat meer waardering kunnen hebben voor Martha? Gaat het bij geloven dan alleen maar om praten en luisteren? Doet dan die liefdevolle verzorging er niet toe. Hoe durft Jezus haar zo terecht te wijzen? Je zou er boos van worden.

Om te beginnen moeten we zeggen: de verhalen uit de bijbel zijn opgeschreven als evangelie: een goede boodschap die dient om ons op een spoor te zetten dat ons verder helpt. Je neemt ze te veel als voorval, wanneer je precies het gedrag van de personen erin gaat ontleden. Het gaat boven alles om de boodschap van het hele verhaal. Verder kunnen we constateren dat het dienen, zoals Martha dat hier doet, juist heel hoog aangeslagen wordt. We kennen het verhaal, dat Jezus de schoonmoeder van Petrus geneest. Daarbij lezen we: Ze stond op en begon voor hem te zorgen. (Mattheus 8:15). Er was zelfs een groepje vrouwen om Jezus en zijn leerlingen heen, die uit eigen middelen voor hen zorgden (Lucas 8:2). Dat wordt allemaal vermeld als iets dat heel positief is en dat Jezus helpt bij het werk dat hij doet. Als Jezus Martha hier kritisch aanspreekt is dat dan ook zeker geen afwijzing van haar gastvrijheid en hulpvaardigheid.

Het gaat om iets anders. Martha is vanuit een gevoel van wanhoop naar Jezus toegekomen. Meester ik kan het niet meer aan. Ik sloof hier in mijn eentje. Zeg toch eens tegen Maria, dat ze ook een handje meehelpt. Vanuit menselijk oogpunt vinden we dat een heel redelijk verzoek. Maar Lucas wil in dit verhaal iets anders belichten: De onrust die je helemaal in beslag kan nemen. Jezus zegt: Martha, Martha, je bent zo bezorgd en je maakt je te druk om veel dingen. In het woord dat hier vertaald wordt met bezorgd maken (Gr. merimnaoo – zich bezorgd maken, door ‘verdeeld’ zijn), zit het woord ‘deel’ (Gr. meris). Dus misschien kun je het je zo voorstellen: Jezus zegt jij laat je aandacht zo verdelen, dat je er helemaal versplinterd van raakt. Je wilt zorgzaam zijn, je zou ook wel aandacht willen geven aan wat ik te zeggen hebt, je denkt aan het eten dat straks weer klaar moet zijn, je vraagt je af of er niet iemand mee kan helpen. En zo springen je gedachten van het een naar het ander. Dat is dus de bezorgdheid waarover het gaat in de bijbel: je bent niet bij jezelf, allerlei gedachten nemen je mee, je raakt in jezelf verdeeld. En nu zegt Jezus, Martha, Martha: het gaat niet om de vele dingen, maar naar weinig dingen zou je zorg uit moeten gaan. Eigenlijk maar naar één ding. Laat dus je gedachten zich niet zo verdelen, maar richt je op het ene. Het is net of we de echo horen van Psalm 27: Ik vraag van God één ding – het enige dat ik verlang. Maria heeft blijkbaar dat ene gekozen, niet al die delen, maar het ene deel: het goede deel. Het enig nodige. En dat zal haar niet ontnomen worden.

Maar wat is nu dat enige dat nodig is. Dat staat er niet bij. Heeft het te maken met Psalm 27: dat je verbonden bent met God? Omdat het niet vermeld wordt, kunnen we alleen maar proberen er iets van in te vullen. Zou het iets te maken kunnen hebben, juist met dit verhaal, met de onrust het opgezweept worden, met omsingeld worden door allerlei dreigende dingen? We weten van Jezus, dat hij een menigte om zich heen had die van alles van hem verwachtte en ook mensen die het op hem gemunt hadden. ’s Nachts ging hij dan alleen de berg op en bracht daar zelfs de hele nacht door om te bidden. (Lucas 6:8) Ik denk dat hij daar de onrust en de dreiging van de dag achter zich kon laten. Daarom kon hij ook zeggen: geef al die dingen waarover je je zo druk maakt uit je eigen handen en vertrouw ze toe in Gods hand. En belast de dag van morgen niet met de zorgen van vandaag. Als je dat tot je door laat dringen voel je je direct al lichter worden: je voelt weer ruimte. Hoe het ook gaat, ik vertrouw dat het goed komt. Misschien behoort vertrouwen tot de kern van het goede deel.

Of gaat dat goede deel, waarover Jezus sprak, over de ruimte die je krijgt om jezelf te zijn. Martha rende en vloog maar door de kamer. Het was nooit genoeg. En ze dacht: ik red het niet. Een centraal thema in het christelijk geloof is het grondbesef geworden: ik ben niet goed genoeg. Paulus zei van zichzelf: Het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil dat doe ik juist wel. Ik ongelukkig mens, wie zal mij verlossen uit dit bestaan. (Romeinen 7:19,24) En in de kerk viel vaak het woord zonde en zondigheid. Misschien ook weleens meer dan goed was. Maar het besef te falen is wel heel menselijk. En zou tot het goede deel kunnen behoren, dat Jezus het met Maria had over God die je niet aankijkt op wat je nìet kunt of nìet goed doet, maar die je de ruimte wil geven: je mag er zijn zoals je bent. En dat hij ook tegen Martha wilde zeggen: Martha, je hoeft niet te sloven en te denken: doe ik wel genoeg. Misschien behoren vergeving en ruimte die je krijgt ook tot de kern van het goede deel: Je mag er zijn, zoals je bent.

En tenslotte: Jezus wilde Gods Nieuwe Wereld onder de mensen brengen: een wereld met meer eerlijkheid, rechtvaardigheid en liefde. Dwars tegen alle weerstand en egoïsme in waarmee wij zo vaak geconfronteerd worden. Hij stuurde zijn leerlingen als boden uit. Verkondig vrede voor iedereen die het horen wil, ga naast mensen staan om hun moed in te spreken, leg hun zegenend de handen op. Zou tot dat ene goede deel ook niet die kernboodschap van Jezus behoren: laat je aanraken door het vuur van God en geef het door in liefde, in hulpvaardige handen, in bemoedigende woorden. Zoek dat eerst, dan wordt het andere je erbij gegeven. Zou ook dat niet behoren bij dat ene dat nodig is?

Wij worden door heel wat zaken in beslag genomen: het nieuws, de kranten en andere media sturen onze geest alle kanten op. En ook ons persoonlijk leven is vaak rennen en vliegen. Alles eist zijn aandacht. In die veelheid, die ons ook vaak afleidt, mogen wij op zoek gaan naar het ene nodige, het goede deel. Dat zal in ieder geval te maken hebben met loslaten en ruimte ervaren. Ik hoef niet alles voor elkaar te krijgen, ik mag mijn zorg en onrust uit handen geven. Ik mag meebouwen aan de goede wereld van de toekomst als een werktuig in Gods hand. We worden uitgenodigd tot het goede deel.

Mensen met een missie

Preek over Psalm 40:5,9-11a en Lucas 10:1-11

Inleiding

In de kerk is ons vaak voorgehouden: We moeten de boodschap van de bijbel uitdragen naar buiten, want: We hebben een woord voor de wereld. Dat klonk wervend en straalde zelfverzekerdheid uit. Het heeft intussen ook velen in verlegenheid gebracht: hoe breng je, dat wat je misschien wel voelt, over op een ander. Bovendien: veel is in de loop van de tijd veranderd: de wereld heeft misschien ook wel een boodschap aan ons. Vanmorgen lezen we over de 72 leerlingen die uitgezonden worden door Jezus. Het blijkt dat van hen geen grote woorden verwacht worden, maar vooral aandacht voor mensen, vanuit het vertrouwen, dat God met zijn kracht van liefde en hoop door hen heen alles nieuw zal maken. Een bemoedigend verhaal voor ons.

Preek

De boodschap van de bijbel moeten we uitdragen naar iedereen toe – zo is mij en velen in de kerk vroeger vaak voorgehouden. Ik kan me ook nog goed herinneren, dat er een witte evangelisatietent in ons dorp stond opgesteld om mensen die nog niet in Jezus geloofden tot het geloof te brengen. Ik vond dat toen mooi en er zaten oprechte goede bedoelingen achter. En toch roept het achteraf bij mij vragen op. Help het als je zegt: je zou dat en dat moeten geloven? Werden mensen niet meegenomen in een gevoel van onzekerheid, schuldigheid om vervolgens weer te horen hoe je je een bevrijd mens kunt voelen? Er is mij ook voorgehouden, dat je zou moeten getuigen van je geloof. Maar soms dacht ik: worden mensen daar warm van? Moet ik Jezus aan de man brengen. Helpt het als ik zeg, dat hij bevrijdt. En moet ik een ander op zijn zondigheid wijzen?

Er werd geroepen: wij hebben een woord voor de wereld. Dat klonk warm en wervend, maar het is net of het in de loop van de tijd wat voorzichtiger en bescheiden naar voren gebracht werd, tenminste in brede lagen van de kerk. Er zijn natuurlijk evengoed brede richtingen waar het volop klinkt. Dan veronderstel je wel: Wij zijn anders. Grote groepen om ons heen, ja hele volken weten het nog niet, maar wij hebben de opdracht om het aan hen te verkondigen.

Daarmee is dan direct het dilemma aangegeven zoals ik dat ervaren heb: je voelt je gedreven om iets uit te dragen, maar je ervaart tegelijkertijd hoe moeilijk het is om het te verwoorden. We horen: de kerk moet missionair zijn! Het is haast een toverwoord: Missionair. Gezonden. Misschien kon je ooit in een heldere boodschap verwoorden wat dat inhield, maar onze wereld is anders geworden, kritischer. En ook in de kerk vragen we op zaken door. De claim: wij hebben een woord voor de wereld is geleidelijk aan veranderd in het besef: de wereld heeft ook heel wat te zeggen aan ons.

Toch betekent dit alles niet, dat er vanuit kerk en geloof niets meer te zeggen is. Allereerst kan er de persoonlijke ervaring zijn, die krachtiger dan wat ook zegt, wat God betekent. Psalm 40 is daarvan een sprekend voorbeeld: Ik wil vertellen over uw wonderen, over uw goedheid. Ik wil getuigen hoe liefdevol en trouw u bent. (Psalm 40:5,10). Je diepste ervaring is het sterkste getuigenis in de ogen van anderen.

Daarnaast lezen we in de bijbel, dat Jezus zijn leerlingen op pad stuurt om de goede boodschap te verkondigen. Dus de missie is van het begin af aan al met het christelijk geloof verweven. Toch: een woord voor de wereld? Ja, maar misschien anders dan we denken. Geen theologie voor de wereld. Eerder het doorgeven van vertrouwen, warmte, vrede, liefde. Iets van God, dat door jou heen de ander mag bereiken.

Laten we de tekst van Lucas eens van wat dichterbij bekijken: Allereerst valt het op, dat Jezus er twee keer leerlingen op uitstuurt: In het begin van hoofdstuk 9 gaat het over de twaalf leerlingen, aan het begin van hoofdstuk 10 gaat het om 70 (volgens andere handschriften om 72) leerlingen. Het getal twaalf roept associaties op met Israël. Het getal 70 met de 70 volken, waaruit volgens opvattingen van toen, de wereld zou bestaan. Zoiets kan Lucas ook bedoeld hebben: wat Jezus ons aanreikt en wat hij betekent, is gericht op voor Israël, maar uiteindelijk zal het zich uitstrekken naar iedereen.

Maar wat is nu de inhoud van die boodschap. Laat ik proberen het zo weer te geven: In God is een geweldige, positieve kracht van liefde en acceptatie, hoop, moed. En die macht is als een vuur dat zich een weg baant door onze wereld. Mensen die eruit liggen, worden opgebeurd, kinderen tellen mee, wie alle vertrouwen verloren hadden, durven weer. Maar dat goddelijke vuur is er natuurlijk niet in één keer. Zoiets moet groeien. Eindeloos vertelt Jezus daarover: het groeit als een mosterdzaad tot een grote struik, het ontwikkelt zich zoals graankorrels rijpen op een akker. Jezus duidt het aan als een nieuw rijk dat zich vestigt, als de nieuw wereld van God die doorbreekt in onze wereld. Ze breekt zich baan en zoekt ruimte: overal in de harten van de mensen. En, al moet Gods nieuwe wereld nog groeien naar voleinding, je merkt nu al hoe sterk ze is. Dat wordt heel mooi verwoord: de leerlingen merken dat ze op slangen en schorpioenen kunnen stappen, zonder dat die iets doen. Dat betekent: levend vanuit die positiviteit van God, ben je alle negatieve machten in de wereld de baas. In opvattingen van die tijd: de demonen vluchten voor je weg.

Vol overtuiging en enthousiasme gaan de leerlingen langs de deuren, maar ze merken tot hun ontsteltenis: het vuur slaat niet overal over. Als het aanslaat, zegt Jezus, moet je bij zulke mensen blijven. Maar vlieg niet van de één naar de ander. En besef ook niet iedereen laat dit goddelijke vuur van liefde en hoop toe. Soms weren mensen het af.

Twee dingen voegde Jezus er ook aan toe: Ga zoals je bent, omkleed je je niet met allerlei overbodige bagage, wat dat ook zijn mag: het gaat om hoe God door jou heen werkt, zijn vuur, zijn liefde. En het tweede is: je hebt haast: begroet daarom de mensen die je tegenkomt niet. Daarmee wordt de Oosterse begroeting bedoeld die heel omslachtig is en veel tijd vraagt. Die haast heeft te maken met de verwachting: binnen korte tijd overwint Gods liefde en vrede en de negatieve machten worden vernietigd.

Met die boodschap gingen de leerlingen op weg. Zo vertelt Lucas ons in zijn evangelie. Maar nu moeten we ons realiseren, dat het heel wat jaren na Jezus optreden was toen Lucas zijn verhaal opschreef. (Mogelijk rond het jaar 70). In die tijd groeide de kerk geleidelijk en trokken gemeenteleden rond om de goede boodschap van Jezus overal verder te vertellen. En eigenlijk gaat wat Lucas vertelt over Jezus die 72 leerlingen uitzendt evengoed over het missiewerk in Lucas’ tijd. Het ging bij Lucas om de herkenning. Hij wilde zeggen: Wat Jezus’ leerlingen overkwam, overkomt nu ons: je wilt iets van die warmte en liefde die van Jezus uitging doorgeven, maar mensen ontvangen je vaak niet eens. Gun ze hun vrijheid. Schud het stof van je voeten en ga verder.

Intussen liepen ze in de eerste christengemeenten ook nog tegen iets anders aan: Jezus had niet alleen gezegd: God zal met zijn kracht gaan doorwerken in ons mensen., maar ook: het zal heel gauw gebeuren!. Maar hoe snel dan? Eerst leefde de verwachting: het is heel nabij (Duits: Naherwartung). Maar de voleinding vond niet plaats. En dat betekende, dat allerlei woorden van Jezus opnieuw geduid moesten worden. De weg naar de voltooiing van die nieuwe wereld van God zou wel eens veel langer kunnen zijn: een proces dat eeuwen doorgaat.

Nu staat er in Lucas een tekst die in dit verband belangrijk kan zijn: Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik (Gr. entos – vanbinnen, te midden van).’ (Lucas 17:20-23). Je kunt ook vertalen: het is binnenin je. Niet als een fijn gevoel, maar als God kracht die in en om je werkt.

Dat mogen wij als leerlingen van Jezus uitdragen. Een paar dingen worden daarbij uitdrukkelijk genoemd. Het begint ermee, dat je zegt: Vrede voor dit huis, voor de mensen die hier wonen. En als er dan iemand woont die vrede wil (letterlijk: een zoon van vrede), dan daalt er ook echt vrede neer. Zeg dan: Gods nieuwe wereld is heel dicht bij je gekomen (Gr. eggizoo – naderen), heeft je bereikt (NBV). En zoiets mag je dan zeggen tegen mensen die ziek zijn of die zich zwak voelen (Gr. a-sthenos). Zo voelen mensen zich opgetild en genezen.

Het brengt mij weer terug bij onszelf en onze situatie. We hebben het over een kerk die missionair zou moeten zijn. We vragen ons af hoe we de boodschap van de bijbel uit zullen dragen naar anderen. Hebben wij echt een woord voor de wereld? We zijn bescheidener geworden, hebben vaak geen grote woorden meer en absolute waarheden. Het verhaal van vanmorgen leert ons, dat dat ook niet hoeft. Het gaat om iets anders. Begin vanuit dat vuur van God, waardoor alles nieuw wordt. Het werkt ook nu, het mag in je zijn, binnen je bereik. Het is de warmte waarmee je elkaar benadert, de zorg die je elkaar geeft, de moed die je elkaar inspreekt als het moeilijk is, het vertrouwen dat je elkaar toewenst. Vrede voor dit huis is ook: ik wens je dat het echt goed met je zal gaan, dat je gelukkig en evenwichtig bent. Daar hoeven geen bijbelteksten of visies op God en Jezus aan toegevoegd te worden. Ook zonder dat, kun je in een eerlijk gesprek samen zoeken naar ruimte, bezieling, acceptatie, vertrouwen. En dat werkt iets uit bij mensen die ervoor openstaan, bij kinderen van vrede.

Het gaat er ten diepste om, dat wij die positieve kracht van God de ruimte geven om door te werken – ook in de vragen van samenleving en politiek. In dat alles zoekt Gods Rijk van vrede zijn weg. Totdat alles zal zijn voltooid.

Zet hun een maaltijd voor…

Preek over 2 Koningen 6:21-23 en Lucas 9:49-56

Inleiding

Het lijkt absurd: iemand extra verwennen aan wie je een hekel hebt. Koning Achazja staat net op het punt de vijandige Aramese soldaten neer te slaan, als Elisa zegt: Dood hen niet, maar zet hun een maaltijd voor. Toch blijkt deze ‘naïeve’ daad een doorbraak te brengen: Ze stoppen hun strooptochten. Ook Jezus wijst zijn leerlingen streng af als ze de bliksem over hun tegenstanders willen afroepen. Nelson Mandela en Desmond Tutu leerden in onze tijd: je komt verder als je je niet wreekt op je vijand, maar zoekt naar verbinding tussen mensen en naar vrijheid voor iedereen.

Preek

Wanneer anderen niet doen wat jij wilt, is de beste manier om toch jouw beleid door te voeren de ander te elimineren. Dat is tenminste het uitgangspunt van veel dictators, vroeger en helaas ook nu nog. Het is ook wel begrijpelijk, want het feit dat die ander er is, maakt dat ik mijn wil niet door kan zetten. De Franse filosoof Jean Paul Sartre formuleerde het zelfs zo: ‘L’enfer, c’est les autres,.’ (De hel, dat zijn de anderen). Hoe kun je jezelf zijn en je ideeën doorvoeren, als de anderen steeds een spaak in het wiel steken. In totalitaire regimes worden daarom mensen om onduidelijke redenen gevangengezet, of moeten een zogenaamde morele heropvoeding ondergaan. Ongehoorzame onderdanen worden omgebracht. Zelfs genocide wordt toegepast. Daar zit een diepgewortelde angst in. Als ik die ander niet de baas ben, zal die ander mij de baas zijn. Ja, dan is de aanwezigheid van die ander inderdaad een hel voor je.

Misschien lijkt het allemaal een eind van ons af te staan, maar schijn bedriegt. Want al zullen wij niet gauw iemand ombrengen die ons niet bevalt, woede of angst kunnen er wel toe leiden, dat je iemand weg wilt hebben. In bedrijven wordt soms zomaar iemand ontslagen, zonder duidelijke reden. Op school worden sommige kinderen weggepest. Wat zit daarachter? Zo iemand past niet in ons straatje, hoort eigenlijk niet bij ons. Vaak worden wij onbewust beheerst door wij-zij gevoelens. Dat ‘wij’ kan heel veel omvatten: ons gezin, onze school, ons dorp, onze kerk, onze politieke partij, ons land en volk. Of iets abstracter: onze inzichten en opvattingen, onze manier van geloven. Het wij-gevoel kan als een warme deken om je heen zijn. Maar het weert ook af. Want als je er te veel nadruk op legt, krijgt de ander iets demonisch. Soms denk ik: zouden al die andere verre volken en culturen waarnaar wij zoveel argwaan hebben het echt zo sterk op ons gemunt hebben, of bestaat daar ook nog ‘goede wil’.  Dat is naïef! Zal iemand misschien roepen. Je moest eens weten!  Maar dan denk ik: Als je vooral het kwaad in de ander ziet, hoe kijkt die ander dan naar ons? Net zo natuurlijk. Zo blijven we demonische beelden van elkaar koesteren. En we blijven wapens smeden.

Kan het anders: Ja, maar dan moet je je steeds weer bewust zijn van je eigen angst en woede en vervolgens van hoe die ander jou ervaart. Dan is het steeds weer hard werken om te begrijpen wat er speelt en hoe er nieuwe wegen gevonden kunnen worden.

Laten we ons spiegelen aan een oud bijbelverhaal: Het zal rond 850 voor Christus geweest zijn. De Arameeërs hielden strooptochten tegen Israël. Waarom? Kwam het voort uit wraak, expansiedrift, gebrek aan eigen middelen? We weten het niet. Maar het was natuurlijk een grote ergernis en een geweldige dreiging voor het volk. Hoe stop je zoiets? Natuurlijk vond iedereen: weg met die Arameeërs. Sla ze allemaal dood. Maar de bijbel leert ons: het moet anders kunnen. Er volgt een prachtig verhaal: De Aramese troepen worden door de profeet Elisa om de tuin geleid en naar Jeruzalem gebracht., waar de koning met zijn leger staat te wachten. Dit is de kans voor Israël. Heeft God zelf dit volk Aram niet in de macht van hun koning gegeven? En de koning vraagt dan ook aan Elisa: Zal ik ze dan nu maar neerslaan, vader? Zal ik ze maar doden?

De profeet geeft een verrassend antwoord: Je moet ze niet doden, maar hun een maaltijd voorzetten. Dat is ook weer verschrikkelijk naïef. Want ze zullen direct weer beginnen. Maar het is een goddelijke naïviteit: Het drukt uit: Overwin het kwade door het goede. De manschappen krijgen dus een overvloedige maaltijd en ze mogen weer teruggaan naar hun land. Bizar. Maar het verhaal eindigt met de woorden: Van toen af aan deden de Aramese benden geen invallen meer in Israël.

Misschien waren ze door deze maaltijd beschaamd. Mogelijk voelden ze iets van erkenning en betrokkenheid. Ze waren de aanvallers geweest, maar werden toch behandeld als medemensen. Er kan een brug gebouwd worden over de vijandigheid heen.

Het brengt me bij het verhaal van Jezus, die door vijandig gebied trekt, het gebied van de Samaritanen. Ze zijn op weg naar Jeruzalem, pelgrims naar de heilige tempel van de Joden. De weg is lang en ze zoeken onderdak. Er zijn daar wat Samaritaanse dorpjes. Maar zodra de bewoners doorhebben, dat ze bedevaartgangers naar Jeruzalem zijn, zetten ze hun stekels op: Die mensen komen er bij ons niet in! Die houding gaat helemaal in tegen het oosterse gastrecht: een vermoeide reiziger behoor je met alle egards te ontvangen. Maar waar komt die afweer, dit wij-zij gevoel, vandaan?

Daar ging een lange geschiedenis van getreiter aan vooraf. Meer dan zeven eeuwen eerder, in het jaar 722 voor Christus, veroverde koning Sargon II van Assyrië dit gebied. Hij voerde een groot deel van de bevolking weg en liet mensen uit zijn eigen omgeving het deels ontvolkte land koloniseren. De volksgroepen mengden zich en er ontstond een half heidense bevolking, die er ook zijn eigen godsdienstige gebruiken op na hield. Deze mensen werden Samaritanen genoemd. Voor de Joden telden ze niet echt mee. Toen na de ballingschap in Babel de tempel in Jeruzalem herbouwd moest worden, mochten de Samaritanen niet meehelpen met de werkzaamheden. Zoiets zet al kwaad bloed. De Samaritanen moesten hun godsdienstoefeningen maar houden op de berg Gerizim, waar zij, als kleine gemeenschap, tot op de dag van vandaag bij elkaar komen.

Laten we proberen ons een beeld te vormen van wat er gebeurt als Jezus met zijn leerlingen door dat Samaritaanse gebied trekt. Dit groepje Joodse mannen is op weg naar Jeruzalem. Voor Samaritanen was juist die stad, vanuit het verleden, met veel negatieve gevoelens verbonden. En intussen verwacht deze reizigers wel gastvrijheid. We begrijpen de afweer als de Samaritaanse dorpsbewoners zeggen: Bij ons ben je niet welkom. Die weigering roept dan weer agressie op bij Jezus’ leerlingen. En Jakobus en Johannes vragen dan ook: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?’  Misschien dachten ze: wie onze meester op zijn reis naar Jeruzalem zo behandelt, verdient niet anders dan een Godsoordeel. Mogelijk herinnerden ze zich een oud verhaal over Elia, die het goddelijk gericht aanriep, waardoor tot tweemaal toe 50 mannen door de bliksem getroffen werden (2 Koningen 1:10-14). Maar wat ook hun overwegingen zijn – dit is niet wat Jezus wil en hij wijst hen dan ook streng terecht.

Zo lezen wij vanmorgen twee bijbelverhalen die zeggen: Je moet de vernietiging van de ander niet willen. Zie de ander niet als een obstakel dat je uit de weg moet ruimen. Vaak merk je in de wereld om je heen dat dat wel gebeurt: letterlijk in onderdrukking en vervolging, maar ook doordat mensen elkaar doodwensen, negeren, wegpesten of het leven onmogelijk maken. De boodschap van Elisa is duidelijk: Dood hen niet maar zet hun een maaltijd voor. En eigenlijk zeg je ermee: Voed je tegenstander met het goede, dan zal hij ophouden je tegenstander te zijn. Roep niet de bliksem van vernietiging over iemand af.

Maar hoe krijgen we dat voor elkaar? We zijn toch ook maar mensen? Daarom kan het in bepaalde gevallen ook onmogelijk lijken, of onmogelijk zijn. Dat neemt niet weg, dat we wel aangespoord worden om elke keer weer te kijken naar: wat zit erachter? Hoe is die ander tegenstander geworden, welke emoties leven er in hem of haar.

In Afrika is er een manier van denken, dat hierop een bijzonder licht kan laten schijnen. Die kijk op het leven heet Ubuntu. De kerngedachte is: we zijn alleen maar mensen doordat we in contact staan met andere mensen. Onze menselijkheid wordt gevormd door ons besef van verbondenheid met die anderen. Gelijkwaardigheid is daarbij het uitgangspunt: we zijn samen mensen met onze zorgen, angsten, frustraties en alleen door dat voor ogen te houden kun je ook samen verder komen. Plaatselijk, als land en ook als wereld.  

Bisschop Desmond Tutu formuleerde het eens zo: “Iemand met ubuntu staat open voor en is toegankelijk voor anderen, wijdt zich aan anderen, voelt zich niet bedreigd door het kunnen van anderen omdat hij of zij genoeg zelfvertrouwen put uit de wetenschap dat hij of zij onderdeel is van een groter geheel en krimpt ineen wanneer anderen worden vernederd of wanneer anderen worden gemarteld of onderdrukt.

Die manier van denken werkt overbruggend en verzoenend. Ubuntu als verzoeningsfilosofie kwam naar voren in de manier waarop Nelson Mandela zijn gevangenschap heeft ondergaan. Hij liet zich niet leiden door verbittering en haatgevoelens, maar door zich te richten op een gemeenschappelijke toekomst: vrijheid voor iedereen. Daarbij had hij het vermogen om op het persoonlijke vlak met zijn bewakers een relatie aan te gaan van gelijkwaardigheid. In de laatste jaren van zijn gevangenschap vonden er ontmoetingen plaats met de blanke machthebbers. Mandela verraste hen. Hij had hun taal leren spreken. Die had hij van een van zijn bewakers geleerd. Maar hij liet ook begrip zien voor hún vrijheidsgeschiedenis. Want de Boeren hadden zich ooit ook met veel offers ontworsteld aan de Britten. Zo leer je elkaars leven te begrijpen en open te staan voor een nieuwe toekomst.

Het sluit aan bij het verhaal dat we ook over Jezus en zijn leerlingen gelezen hebben: Er drijft iemand kwade krachten uit, maar hij behoort niet tot de volgelingen van Jezus. En Johannes zegt dan: ‘We hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’ Maar Jezus antwoordt hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’ Daarin proef ik ook iets van Ubuntu: de verzoeningsgezindheid, de gelijkwaardigheid, het ene doel waar je voor staat. Jezus zag het als zijn roeping vijandschap te doorbreken en een rijk van vrede en liefde te vestigen in Gods Naam. Dat hield ook in dat je tegenmachten in welke vorm ook verdrijft. In de opvattingen van toen: je drijft de demonen uit. Als een ander dat ook doet, ben je geen tegenstanders van elkaar, maar hoor je juist bij elkaar: Wie niet tegen jullie is, is voor jullie.

Denken vanuit belang dat je samen hebt en niet tegenover elkaar staan – het staat misschien haaks op onze impulsen. En soms lukt het ons ook niet om boven conflicten uit te denken, omdat we te diep geraakt zijn. Laat het zo zijn. Toch helpt het om uit te gaan van een groter belang dat ons eigen belang overstijgt. Voed je vijand, dan is hij niet langer je tegenstander. Verdrijf met elkaar het demonische denken. Zoek hoe je samen het ene doel dichterbij brengt. Dat God, die ons allen omvat, ons zal zegenen op die weg.

Kijk eens naar een bloem…

preek over Exodus 16: 11-16a en Mattheus 6:25-34

Inleiding

Als je met aandacht een bloem bekijkt, kun je geraakt worden door haar schoonheid: de schitterende bloemblaadjes, de meeldraden en stamper, de prachtige kleuren. Wat zit alles bijzonder in elkaar! Jezus zegt: Wij mensen maken ons soms druk over hoe we er uit zien en of we wel goed gekleed gaan. Laat die zorgen los. Kijk eens naar zo’n bloem – die is er gewoon in al haar pracht. Kijk ook eens naar de vogels: die maken zich ook niet druk over van alles. Ze rekenen erop, dat wel weer voedsel zal zijn. Als wij eens wat meer zorgen los konden laten. Dan zou het leven lichter en vrolijker worden. Laten we onze aandacht richten op wat echt belangrijk is – aandacht en liefde voor elkaar. Dan komt het met die andere dingen ook wel goed.

Preek

Hoe ga je om met onzekerheid – dat is één van de moeilijkste dingen in ons leven. Wij zouden het liefst alles zelf in hand hebben, bedenken, regelen, bepalen. Maar er zijn zoveel dingen die onze plannen in de war sturen. Soms is het ziekte die ons overvalt – lichamelijk of psychisch. Soms zijn het mensen om ons heen die zo anders reageren dan wij zouden willen. Maar er kunnen ook gebeurtenissen zijn die ons leven bepalen: ongelukken, alles kwijtraken, familie of vrienden verliezen. Het leven hangt aan elkaar van onvoorspelbaarheden. En hoe lukt het je dan om toch te blijven vertrouwen en hoopvol te kijken naar de toekomst.

In de bijbel gaat het over mensen die de wanhoop nabij zijn. Ze zijn weggetrokken uit Egypte. Daar was genoeg te eten. Maar nu zijn ze in de woestijn. Op weg naar het beloofde land, dat wel. Maar wat heb je eraan als je crepeert van de honger. Hoe zul je overleven? Vanuit hun angst gaan ze anderen verwijten maken: Mozes en Aäron, waarom hebben jullie het ooit zover laten komen? Waarom hebben jullie ons hier naar toegebracht. Om ons hier te laten doodgaan in de woestijn? Waren we maar weer in Egypte. Maar dan hoort Mozes een stem van boven die zegt: morgen zullen ze allemaal te eten hebben, vlees en brood. En die dag komen er kwartels aangevlogen. Ze hebben vlees te eten. En op de grond ligt een schilferachtig laagje. Men zegt wel dat dat vaker voorkomt in de woestijn. Het zou een zoete stof zijn die afgescheiden wordt door een bepaald soort bladluizen. Maar dat ze het op dat moment vinden, ervaren ze als een wonder: En ze roepen uit: Ma-na? Wat is dit toch? En die naam krijgt het: Manna. Hett brood dat je zomaar toevalt in de woestijn als je het het hardst nodig hebt. En er blijkt voor iedereen genoeg te zijn.

Dat kun je ook zelf ervaren: je bent de wanhoop nabij, maar er gebeurt iets – een hand op je schouder, een lief gebaar, een vriendelijk woord van iemand. En je kunt weer verder: alsof je midden in de woestijn dat zoet laagje manna gevonden hebt. Alsof God je brood uit de hemel geeft.

Natuurlijk is het niet altijd gemakkelijk. Onze problemen worden niet zomaar altijd opgelost. Maar Jezus wil ons wel helpen om ermee om te gaan. Hij zegt: het helpt, om je niet al te veel te richten op je problemen, op wat fout zou kunnen gaan. Dan blijf je je maar zorgen maken. En door je zorgen te maken leef je geen dag langer. En dan wijst hij naar God. Misschien besef je het niet altijd, maar die zorgzaamheid van God is altijd om je heen.

Verleg nu je aandacht eens van je problemen naar de vogels. Zij zouden zich de hele dag af kunnen vragen: moeten we niet zaaien en maaien om aan eten te komen. Maar dan doen ze niet. Vogels leven in het vertrouwen dat er altijd wel weer voedsel zal zijn. Je zou kunnen zeggen: Ze rekenen op God. Iets daarvan zouden wij van die vogels kunnen overnemen: spontaan en onbevangen leven in het vertrouwen: het komt goed. Op de een of andere manier wordt er voor je gezorgd.

Verder zegt Jezus: kijk ook eens naar een bloem. Wij zijn meestal zo druk met onszelf en onze zorgen, dat we daar niet eens aan toekomen. Maar als je je aandacht eens verlegt naar zo’n bloem, kom je al een beetje los van je zorgen. En wat zie je: een wonder, zoals zo’n bloem opgebouwd is. Die prachtige kleuren, die schitterende bloembladen. De meeldraden met het stuifmeel, de stamper. Alles is eindeloos fascinerend aan zo’n bloem. Ze is een wonder. Ze is mooier dan Salomo in zijn koningsmantel. Als je dat ziet, denk je: wat is er een zorg aan zo’n bloem besteed. Wij zouden zoiets moois niet kunnen maken. Ja zelfs als je een grasspriet bekijkt, raak je al onder de indruk: dat smalle blad, dat gevouwen lijkt… Die helder groene kleur… En dan hebben we het over gras, dat zomaar afgemaaid wordt. Als dat al met zoveel zorg gemaakt is…. Hoe zit het dan met ons? Dan strekt die zorg zich toch ook naar ons uit? Jezus zegt: De zorg van God richt zich niet alleen op vogels en bloemen, maar jullie zijn nog veel belangrijker voor hem.

Als je zoiets tegenwoordig zegt, zijn er nogal wat mensen die hun schouders ophalen. God? De zorg van God? Wat zie je ervan? Bewijs maar eens dat God voor je zorgt. Er is ellende genoeg in de wereld. En veel van onze persoonlijke problemen worden niet opgelost. Met ziekten blijven wij vaak worstelen. Verliezen die we doormaken, komen we maar met moeite te boven. Wat merk je van Gods zorg?

Het is allemaal waar, maar toch betekent dat niet dat de woorden van Jezus er niet toe doen. Geloven in God betekent: vertrouwen vinden, hoewel al dat andere er ook is. Het betekent eigenlijk dat je zegt: ik weet heel goed wat er allemaal fout kan gaan, wat mij verdrietig maakt, wat ik allemaal mis. Maar dat alles is niet het enige; Ik zie ook dat er krachten zijn die mij opbeuren. Ik ontdek, dat er mensen om mij heen zijn, die mij weer moed geven. Ik hoor hoe boven alle tegenslag uit er toch ook mooie muziek klinkt. En dan ga ik weer zingen. In al die kleine dingen is God bij mij.

Het heeft ook allemaal te maken met de kunst van het loslaten: wie zich voortdurend afvraagt of het wel goed komt, hecht zich vast aan angst. Wie om zich heen kijkt en de vrije vogels ziet en de schoonheid van de bloemen, maakt zijn geest los van die angst. Dan krijg je weer oog voor al die goede en fijne dingen waarin God, ondanks alles om je heen is.

Daarom zegt Jezus ook: Zoek eerst het Koninkrijk van God. En hij bedoelt: richt je aandacht nu eens niet eerst op jezelf en alle zorgen die je hebt, maar ga nu eens met je aandacht naar de ander: wat zou ik aan goede en fijne dingen kunnen doen: met die ander, voor die ander. Hoe zouden we elkaar kunnen helpen en een beetje aandacht kunnen geven? Hoe kunnen we deze wereld een beetje mooier kleuren?

Als je dat doet, zegt Jezus, als je je aandacht richt op de goede kansen en de mogelijkheden om elkaar bij te staan, dan komt het met al die zorgen van je ook wel goed.

En hij zegt er nog iets bij: Je moet geen last, geen zwaar gewicht, leggen op de toekomst. Hij bedoelt: als je piekert over hoe het morgen verder moet, dan ligt er meteen al weer een zwaar blok steen op die dag. En door dat gepieker over morgen ligt er vandaag al een steen op je maag. En dat is jammer. De dingen van vandaag vragen al genoeg aandacht. Daar moet de last van morgen niet nog eens bijkomen Morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Iedere dag heeft genoeg aan zijn de dingen die dàn aan de orde zijn. Zo kun je het goed aan.

Vanmorgen hebben we nagedacht over de vraag: hoe laat je de zorgen die je hebt een beetje los? In de voorbereiding voor deze dienst werden daarvan ook concrete voorbeelden gegeven: Je kunt je soms druk maken over medicijnen of verandering van medicatie. Wat zal dat voor effect hebben? Zul je nog goed kunnen denken, krijg je last van bijwerkingen? Ook zulke vragen moet je soms maar loslaten in het vertrouwen dat de medicijnen je geen schade zullen doen. Iemand bracht naar voren: je moet maar niet teveel terugdenken. Dan ga je misschien piekeren. Je moet maar liever heendenken, vooruitkijken, verdergaan. Een ander voegde daaraan toe: je kunt het beste doorgaan, ondanks alles en het vertrouwen hebben: er zullen toch weer nieuwe kansen zijn. Bij dat alles kunnen bemoedigende woorden ons ook verderhelpen. Iemand zei: een bijbelwoord kan je optillen. Soms val je terug. Dan brengt ook onze ziekte met zich mee. Dan moet je je de betekenis van zo’n bemoedigend woord elke dag weer nieuw verwerven. Ook mooie beelden uit de bijbel kunnen je helpen. Iemand herinnerde zich het beeld van Jezus en zijn vrienden. Dat was zo mooi. Zo’n voorstelling maakt het praten over zorgen ook wat lichter. Een ander herinnert zich de tekst: De Heer zegt: ik wil de kudde weiden. Wij kunnen ons best doen, maar mogen uiteindelijk vertrouwen dat God het is die de herder is, die voor zijn schapen zorgt.

Zo komen we weer terug bij dat oude verhaal van het volk in de woestijn, dat zich zorgen maakte over hoe het verder moest. Maar ze ontdekken tot hun verrassing dat er zoete korrels op het zand liggen. Ma-na? Wat is dat? Het is de ontdekking dat er ondanks alles steeds weer die nieuwe kansen zijn: de zon gaat op, de vogels vliegen onbezorgd rond, de bloemen bloeien in hun pracht. En wij mensen mogen met moed en vertrouwen vooruitkijken. God is met zijn zorg om ons heen.

In vuur en vlam…

Preek over Handelingen 2:1-13

Inleiding

Uit straatinterviews blijkt dat weinig mensen weten wat Pinkeren inhoudt en wie het wel weet moet er vaak om glimlachen: die grappige vlammetjes. Toch heeft het feest een grote zeggingskracht. Er wordt mee uitgedrukt: geloof is een zaak van passie en bevlogenheid. Het Joodse Pinksterverhaal laat zien dat God zijn Leefregels geeft vanaf een berg van vuur. Alleen met een krachtige wil een vurig hart, kun je ze vervullen. In het Christelijke Pinksterverhaal gaat het over een stormgeluid en tongen van vuur. Gedreven door Gods kracht zullen Jezus’ leerlingen alles wat Jezus hun gegeven had voortzetten als iets dan nu in henzelf werkt. Daarbij gaat het om de ervaring van Gods kracht en nabijheid, maar evengoed om wat wij elkaar geven aan liefde en trouw.

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Er zijn nogal wat mensen die hun schouders ophalen over Pinksteren. Bij Kerst kun je geraakt worden door de sfeer rondom het pasgeboren kind. Met Pasen beleef je misschien iets van opstaan en nieuw leven. Maar Pinksteren…? Zeker buiten de kerk is er verbazing over dat merkwaardige verhaal van die dansende vlammetjes op de hoofden van Jezus’ leerlingen. Toch is het heel jammer dat mensen aan dit bijzondere feest schouderophalend voorbijgaan, want hier is juist iets heel wezenlijks aan de orde.

Als je het Pinksterfeest met zijn vuur en wind niet had, was het christelijk geloof niet meer dan een beschouwing van het leven. Met zo’n levensvisie kun je het al of niet eens zijn. En daar blijft het dan bij. Maar Pinksteren leert ons iets anders: geloof is méér dan een kijk op je leven. Het is allereerst: geraakt worden en in beweging komen. En juist omdat beleving in onze cultuur zo belangrijk is – in allerlei vormen van entertainment – kan het je verbazen, dat Pinksteren niet wat hoger aangeslagen wordt. Juist met Pinksteren gaat het om: hoe brengt geloven je hart op hol, hoe word je er een bevlogen en gepassioneerd mens van.

Geloven kan niet zonder de rode kleur van de passie, zonder het oplaaiende geel van de vuurvlammen, zonder de kracht van de wind.

Lucas schrijft er een prachtig beeldend verhaal over: de krachtige wind die opzweept, het vuur dat zich verdeelt, klanken van hoop over het goede dat God met ons voorheeft – woorden die voor iedereen bedoeld zijn en door iedereen verstaan worden. Het is Lucas’ beschrijving van het eerste Christelijke Pinksterfeest.

Maar dat Pinksterfeest zelf bestand al. Het was al een Joods feest. Eigenlijk een oogstfeest, het feest van de eerste tarwe-aren. Maar – zo zeiden de rabbijnen: met Pasen gedenken we de uittocht uit Egypte. Met Pinksteren gedenken we hoe God de leefregels gaf aan zijn volk vanaf de berg Sinaï. En wat daar verteld wordt, staat eigenlijk niet zo ver af van het Pinksterverhaal van Lucas, zoals we het kennen uit het boek Handelingen. Het wordt ons heel plastisch beschreven in het boek Exodus (19:16-19): De hele berg Sinaï staat in brand: overal is rook, God daalt neer in vuur. En je hoort ook een bazuingeluid, dat steeds sterker wordt. En er is bliksem en donder. Wat drukt zo’n verhaal uit: in de eerste plaats verbeeldt het iets van het goddelijke. God is er als licht en kracht. God is geen verheven gedachte van mensen, geen filosofisch concept. God is dynamiek: kracht onder, om en in ons leven.  En het tweede dat dit verhaal uitdrukt, heeft te maken met wat volgt: De Tien Woorden, de Leefregels van God. Als je die alleen maar leest en registreert, heb je er niets aan. Nee, die geboden gaan pas werken als je er je schouders onderzet. Pas als het je passie is om er iets van waar te maken, werken de geboden iets uit. Zonder je hart, zonder vuur en kracht, komt er niets van terecht. Of – met de woorden van Paulus – : de letter maakt dood, maar de Geest maakt levend. (2 Corinthiërs 3:6).

Laten we in gedachte teruggaan naar dat eerste Christelijke Pinksterfeest, de geboorte van de kerkgemeenschap. Waarom is dat nu zo’n wezenlijk moment? Dan moeten we teruggaan naar de tijd dat Jezus rondtrok door Galilea en Jeruzalem. Hij kondigde aan dat Gods Rijk van liefde en vrede aanbrak. Dat was een boodschap waarin een geweldige kracht en hoop lag en soms ook kritiek en scherpte. Jezus zei: Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! Lucas 12:49. Maar Jezus werd gedood en het vuur doofde. Uitgeblust gingen ook zijn leerlingen hun weg verder. Toen werd het Pasen: Ze zagen hem weer, maar raakten ook in verwarring, ze waren blij, maar sommigen twijfelden. (Mattheus 28:17). En dan vertelt Lucas dat Jezus van hen heenging. Ondanks troostende woorden voelen ze zich verweesd.

Maar daar blijft het niet bij. En daar gaat het om met Pinksteren. Het is als bij een veenbrand. Je denkt dat het vuur gedoofd is, maar het is ondergronds verdergegaan en laait weer op. Het vuur van Jezus leek uitgedoofd toen hij gekruisigd werd. De tegenkrachten leken het gewonnen te hebben. Maar in het verborgene zocht het vuur zijn weg en met Pinksteren laait het weer op. Alles wat Jezus gegeven had, geloofde, hoopte, voorleefde – het is niet voorbij. Het gaat werken maar nu in onszelf, door ons heen.

Geloof is meer dan een beschouwing van het leven. Het is, dat je leeft vanuit het vuur dat hij op aarde bracht.

Zo lezen we er ook over in de evangeliën. In het bijzonder besteedt Johannes aandacht aan de Geest. De Geest neemt dat wat eigen was aan Jezus over en draagt het verder. (Johannes 16:14) In de beeldende taal van Johannes krijg je zelfs de indruk van een wisseling: Jezus gaat naar God toe, de Heilige Geest naar de aarde. Een manier van voorstellen die wij mogelijk niet zo goed kunnen volgen. Maar het gaat uiteindelijk hierom: Jezus is niet meer bij ons, maar alles wat hij hoopte, Gods kracht van waaruit hij leefde, de liefde die hij verspreidde – het zal van nu af aan in ons doorwerken. 

Sterker nog, volgens Johannes, kan die kracht pas in ons gaan werken, als Jezus van ons heengaat. We lezen, dat Jezus zegt: Werkelijk, het is goed voor jullie dat ik ga, want als ik niet ga zal de pleitbezorger niet bij jullie komen, maar als ik weg ben, zal ik hem jullie zenden. (Johannes 16:7).

Pinksteren houdt dus ook in: je zult het nu zelf moeten gaan doen, maar je hebt wel een pleitbezorger. Pleitbezorger? Een beetje vreemd woord. Paraklètos staat er in het Grieks. Letterlijk: iemand die ‘erbij geroepen’ is. Het woord werd vaak gebruikt bij een rechtszaak. De Paraklètos was dus de advocaat (wat overigens óók betekent: ‘degene die erbij geroepen wordt’). Oudere vertalingen gebruiken hier het woord Trooster. De bedoeling is dus: iemand die je helpt, die je bijstaat, die voor je opkomt, die naast je gaat staan en je weer moed geeft, die je vooruithelpt. Uiteindelijk kunnen we het zo lezen: Jezus is in letterlijke zin niet meer bij ons, maar die liefde en warmte, acceptatie, het vertrouwen en de hoop van waaruit hij leefde, is wel bij ons. En niet alleen als warmte en liefde die van God uit komt en ons omgeeft, maar ook als een bijzonder gave aan elkaar: een charisma.

Charisma – ook in onze samenleving wordt dat woord nogal eens gebruikt. We hebben het over een politicus met een groot charisma of over een charismatische spreker. En dan bedoelen we iemand met een geweldige uitstraling, een redenaar die met veel verve en overtuiging spreekt. Dat kan ook al snel iets van persoonsverheerlijking om zich heen hebben. In de bijbel wordt dit woord met veel meer bescheidenheid gebruikt: een ‘charisma’ is een gave, een genadegave. De Geest van God geeft je een bijzondere kwaliteit, waarmee je elkaar kunt helpen. Paulus zegt (1 Corinthiërs 12: 4-6): Vanuit de ene Geest van God gaan verschillende gaven uit, dienende taken en uitingen van bijzonder kracht. En dan noemt hij het overdragen van wijsheid en kennis, maar ook het genezend aanwezig zijn en het hebben van een kritische geest, de praktische hulp die je elkaar kunt geven en de goede begeleiding waarmee je elkaar steunt. 

Bij Pinksteren gaat het dus niet alleen maar om vuur en geluid, niet alleen om vaart en enthousiasme. We worden ons vandaag ook bewust van de charismata, de gaven die wij allemaal gekregen hebben en steeds weer krijgen om elkaar elke keer weer op weg te helpen en bij te staan. Dat doet Gods Geest aan ons; zo mogen we er ook voor elkaar zijn. Dat is meestal geen spektakel, geen lawaai of gespetter. Het vindt vaak plaats in het verborgene, in contacten en relaties, in kleine daden van hulpvaardigheid, in de ruimte en de zorg die je elkaar geeft.  

Het christelijk geloof is niet een levensvisie, een kijk op hoe alles in elkaar zit. Dan zou het vooral iets van je verstand zijn. Maar het is veel meer. Pinksteren leert ons, dat het gaat om het vuur en passie waarin je meegenomen wordt, troost en nabijheid van God, maar ook om de warmte die opgloeit waar mensen zich van harte met elkaar en met onze wereld verbinden.

Het geschonden vertrouwen…

preek over Johannes 21:12-17

Inleiding

Je leest er regelmatig over: vertrouwen dat op de proef gesteld wordt, of aangetast. Het is iets van alle tijden en hoort bij hoe wij mensen met elkaar omgaan.

De oude Bijbelverhalen laten ons zien, dat God aan mens de aarde toevertrouwt en dat Hij rekent op Israëls trouw tijdens de woestijnreis. Maar steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk die trouw op te brengen is en hoe de relatie telkens hersteld moet worden.

Aangrijpend is de vertrouwensbreuk waarmee Jezus te maken heeft als Petrus de relatie met hem ontkent. De breuk wordt pas hersteld als Jezus hem vraagt naar zijn oprechte liefde en hem weer alle vertrouwen geeft om aan zijn mensengemeenschap leiding te geven: weid mijn schapen!

Preek

We hebben er steeds weer mee te maken: vertrouwen dat aangetast is, onder druk staat, hersteld wordt. Ook deze week binnen het Forum Voor Democratie. Eerst lees je dat het vertrouwen binnen de top van de partij afbrokkelt.  Vervolgens zegt Thierry Baudet: ‘Het vertrouwen is geschonden. Dat blijft. Maar Henk Otten kan nu in de Eerste Kamer gaan werken aan herstel van vertrouwen.’  Die paar zinnetjes uit het nieuws laten zien hoe wij mensen voortdurend bezig zijn met dat wonderlijke verschijnsel: vertrouwen: je moet het blijkbaar opbouwen, maar kunt het ook weer kwijtraken en misschien terugwinnen. Maar dan moet er wel iets gebeuren. Vertrouwen speelt overal: in politieke partijen, in het contact tussen landen. Maar evengoed in verenigingen, kerken, gezinnen, tussen: echtgenoten, ouders en kinderen broers en zussen. Overal gaat het erom: het vertrouwen niet te verwaarlozen, maar te onderhouden, zorgen dat het niet aangetast wordt, het terug te winnen.

Zodra er sprake is van een relatie in welke zin ook, gaan er allerlei vragen spelen rond vertrouwen. En dat vertrouwen heeft alles te maken met trouw, die je veronderstelt als je een relatie begint. Vertrouwen is: ervan uitgaan, dat iemand trouw is, dat je op hem of haar kunt rekenen. Die trouw is onmisbaar.

Maar wat in onze tijd opvalt, is de drang om juist ongebonden te willen zijn. Waarom zou je trouwen. Kun je je wel voor je leven binden? Rond de veertig procent van de huwelijken loopt uit op een scheiding. Engagement met een organisatie blijkt ook lastig: waarom lid worden van welke groepering ook? Waarom voor langere tijd een verplichting op je nemen? Ook binding aan een kerk ligt gevoelig en het doen van belijdenis wordt uitzonderlijk. Losheid is gemakkelijker, minder verplichtend. Vrijheid blijheid.

Het lijkt mooi, maar we beseffen ook wel het gevaar: als je trouw minder hoog aanslaat, verlies je stabiliteit en duurzaamheid. Dat geldt in de samenleving en ook in persoonlijke relaties. Wie kan nog op wie rekenen? Dan komt de vraag op: Als jij je nergens aan gebonden voelt, hoe kan onze relatie dan voortbestaan? Als jij vindt dat je je financiële verplichtingen niet na hoeft te komen, hoe heeft ons bedrijf dan nog toekomst? En hoe zouden we ooit de klimaatproblemen en de migratievragen aan kunnenpakken als we ook in de grote wereld niet kunnen rekenen op elkaars trouw?

Wanneer we het hebben over herstel van vertrouwen, dan zou je terug moeten gaan naar het begin: er was een reden om bij elkaar te komen: je hield van elkaar en wilde samen door het leven. Of: je zag de ander zitten als zakenpartner. Of je geloofde in de aanpak van een organisatie. Daarom heb je je ooit verbonden in trouw. En dan komen er allemaal onvoorziene ontwikkelingen en ligt een vertrouwensbreuk op de loer. Het kan zo heftig toegaan, dat je ook niet meer weet wat het beste is. Huwelijken lopen op de klippen, contracten tussen landen worden opgezegd, organisaties staan onder druk, kerken lopen leeg. Trouw en betrouwbaarheid zijn vaak ver te zoeken. En lang niet alle situaties zijn op te lossen. Dat is de tragiek waarmee we het moeten doen. Toch, waar het kan, zou je terug kunnen gaan naar het begin: de liefde die mensen ooit verbond, het vertrouwen dat je ooit in elkaar had.

De oude verhalen van de bijbel zijn in dit opzicht een spiegel voor ons. Ook daar gaat het vaak over trouw die onder druk staat, vertrouwen dat geschonden is en weer gewonnen moet worden. En het gaat niet alleen over mensen en volken. Maar het begint bij God. God verbindt zich vanuit liefde met deze wereld en met ons mensen: God plaatste de mens in de hof van Eden om die bebouwen en te bewaren – een van de oerverhalen uit Genesis. Daarin wordt ook een relatie van liefde verondersteld: Mens, Ik geef je het leven en de goede aarde, leef in vrede! Maar wat dan volgt, laat zien hoe moeilijk het is om trouw te zijn. Het verhaal van Noach vertelt hoe alles uit de hand gelopen is en God het kwaad wilde wegspoelen. Dat lukt niet echt: de conclusie is: je kunt wel een wereld willen met volmaakte, toegewijde en betrouwbare mensen. Maar zo is de realiteit niet. Van jongs af aan zit er ook iets anders in die mens: drang om dingen naar je eigen hand te zetten, vluchtneigingen, onverschilligheid. Toch moet het verder met onze aarde. God zet zijn boog in de wolken: teken van trouw, waarmee hij zegt: Het vertrouwen is geschonden, maar de liefde is sterker. Ondanks alles ga ik met je door. (Genesis 8:21, 9:12-17).

De vragen over trouw en vertrouwen blijven spelen. De verhalen over het volk in de woestijn geven ons daarvan het meest indringende beeld: De situatie wordt door de profeet Hosea zó voorgesteld: God is als een vader, een moeder, die vol liefde het kleine kind Israël wegroept uit de ellende van Egypte. Het jonge kind wordt opgetild en verzorgd. (Hosea 11:1, 4) Maar de mensen lijken niet te willen: Hoe harder ze geroepen werden, hoe meer ze hun eigen weg gingen. (Hosea 11:2). Meer en meer raakt het vertrouwen zoek. Heel apart is het verhaal waarin God zo boos is op het volk, dat hij het wil vernietigen en uit Mozes een nieuw volk wil laten voortkomen. (Exodus 32:10). Mozes smeekt dan: God stopt toch uw boosheid en laat uw plan los om het volk onheil aan te doen. (Exodus 32:12). God wordt hier heel menselijk voorgesteld in zijn emotie. Maar het gaat om wat uit zo’n verhaal spreekt: de liefde waarmee het begon, de pijn als de ander wegloopt, het beschaamde vertrouwen, de wanhoop of de relatie nog hersteld kan worden. Tenslotte gaan ze toch verder: het stribbelende volk en de onzekere Mozes die uitroept naar God: Als u niet met ons meegaat, laat ons dan niet hiervandaan optrekken. (Exodus 3:15) Ook hier is uiteindelijke de boodschap: Het vertrouwen is geschonden, maar de liefde is sterker. Ondanks alles ga ik met je door.

Vele eeuwen na Mozes trekt Jezus met zijn leerlingen rond door Galilea. Hij verkondigt, dat Gods wereld van liefde en vrede door zal breken. Zijn leerlingen dragen dat ook uit, met veel verve. Maar kun je wel altijd rekenen op hun trouw? Een van hen springt altijd als eerste naar voren: Simon, de zoon van Johannes (Jona). Jezus zei tegen hem: op jou kan ik echt aan, je bent een rots. Zo noem ik je – Petrus – en op deze rotssteen zal ik mijn gemeenschap bouwen. (Mattheus 16:18). Nog altijd staat het rotsstenen kerkje van het primaat van Petrus aan de oever van het meer van Galilea, niet ver van Kafanaüm. Maar de trouw van Petrus werd wel beschaamd. Er ontstond een vertrouwensbreuk toen hij uitriep: Jezus? – ik ken die man helemaal niet! Tot drie keer toe. En toen kraaide er een haan. En Petrus snikte het uit. Wat je je trouw waard als het erop aankomt.

Johannes vertelt ons, dat Jezus na Pasen weer bij zijn leerlingen is. Als lezer denk je misschien: alles is weer goed. Maar juist hier stelt Johannes de pijn van het verloren vertrouwen aan de orde: Hoe moet het verder als je zó je verbondenheid met je geliefde meester ontkend hebt. Valt er dan ooit weer vertrouwen op te bouwen. Jezus spreekt Petrus aan. Niet met verhaaltjes over dat het allemaal wel begrijpelijk was en dat je als mens nu eenmaal te maken hebt met angst. Nee, Jezus begint bij de oorsprong: ik heb je ooit geroepen en je geloofde in mij. Je zette je in voor mij en ik noemde jou een rots. Maar hoe is het met die eerste liefde. Petrus heb je mij echt lief? Dat is een heel confronterende vraag: Wat is echte liefde? Je kunt het goed met iemand bedoelen, maar eerlijk gezegd zit in alle liefde ook veel eigenbelang. En als liefde zou betekenen dat je je met hart en ziel trouw met iemand verbonden weet, dan is het wel veel gevraagd. Bij Petrus was het in ieder geval misgelopen. Hij begint dan ook maar bij Jezus. ‘Ja, Heer, u weet! U weet, dat ik van u houd.’ Je voelt: hij wil die liefde, maar kan het nauwelijks nog zien als iets van hemzelf. Opnieuw stelt Jezus de vraag en nog een keer. Want tot drie keer toe had hij de relatie ontkend. Het vertrouwen was dan ook diep aangetast. En dat is een groot verdriet voor beiden. Het prachtige aan dit verhaal is, dat hier het vertrouwen teruggeschonken wordt om niet. Jezus zegt niet: je krijgt een proefperiode van een jaar om te laten zien wat je waard bent. Nee, hij mag nog steeds de rots zijn waarop de gemeenschap gebouwd wordt. Hij mag de leden van de nieuwe gemeenschap leiden en weiden als een herder.

Een indringende boodschap over ontrouw, geschonden en hersteld vertrouwen. Zo zal het niet altijd kunnen. Helaas. De woorden van de bijbel leren ons wel: zoek naar het begin, de liefde het eerste vertrouwen. Vraag naar die liefde. En probeer vertrouwen terug te geven, waar het kan. De bijbel is geen antwoord op alle vragen, maar helpt ons bij het schenken en ontvangen van vertrouwen.

Van God is de aarde en wie erop wonen

Preek over Leviticus 25: 1-13, 23

Inleiding

Als je iets in bezit hebt, kun je ermee doen wat je wilt. Wanneer je iets geleend hebt of alleen mag gebruiken, wordt er van je verwacht dat je er zorgvuldig mee omgaat. Ons denken moet een radicale omslag doormaken, voordat wij inzien dat we niet de baas zijn over de aarde, maar dat ook dieren en planten er recht op hebben. Je kunt ze beschouwen als onze broers en zussen. Het sabbatsgebod van Israël laat ons zien, dat alle leven het recht heeft om op adem te komen en dat scheefgegroeide verhoudingen na verloop van tijd rechtgezet moeten worden. Wij zijn niet van onszelf en de aarde is niet van ons. Van God is de aarde en wie erop wonen. Iets om over na te denken op deze zondag waarop duurzame voeding en zorg voor het leven centraal staan.

Preek

Misschien is het goed, dat wij mensen in de 21 eeuw eens op een totaal andere manier gaan denken. Een omwenteling die net zo ingrijpend is als de denkverandering die Copernicus ooit op gang bracht. Copernicus, die leefde omstreeks 1500, was een Pools-Duitse sterrenkundige die zich diepgaand bezighield met de bewegingen van de planeten in ons zonnesteldel. Men meende in die tijd dat de aarde het middelpunt van het heelal was en dat alles letterlijk om de aarde draaide. Copernicus bedacht, dat het veel eenvoudiger zou zijn om te veronderstellen, dat de planeten om de zon zouden draaien. Voor ons vanzelfsprekend, maar toen stuitte het op groot verzet zowel bij protestanten als in de katholieke kerk.

Ik denk, dat het tijd is voor opnieuw een Copernicaanse verandering in ons denken. Maar dan heb ik het niet over onze visie op planeten en de positie van de zon. Nee, dan heb ik het over de positie van de mens tegenover de natuur om ons heen. In de tijd van Copernicus was de vraag: Wat staat er in het midden: de aarde of de zon. Wij zouden eens na moeten denken over de vraag: wat staat er in het midden: wij mensen, of de natuur, de kosmos, de schepping? Want of we het beseffen of niet: eigenlijk is vaak ons uitgangspunt: Van ons mensen is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen. Wij hebben haar gegrondvest. En de fundamentele verandering in ons denken wordt ons aangereikt door de bijbel: Psalm 24: Van de Eeuwige is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen, hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft hij haar verankerd. Nu moet dat ons zeker niet tot de gedachte brengen: dan moet God onze zorgen over milieu, klimaat en sociaal onrecht maar oplossen. Nee, ik bedoel er, omgekeerd, mee: Wij moeten met meer zorg omgaan met de aarde, juist vanuit de gedachte dat die niet ons eigen bezit is. In Genesis wordt ons in een beeldend verhaal duidelijk gemaakt wat onze positie is: God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. (Genesis 2:15). Werken en waken over dat wat je zogezegd in pacht gekregen hebt. Dat wordt van je gevraagd. En op allerlei plaatsen in de bijbel wordt het herhaald: (Exodus 9:29, 19:5, Deuteronomium 10:14, Psalm 50:12, 89:11, 98:7 e.a.): De (hemel en) de aarde zijn van de Heer en alles wat erop is.

Dat oerbesef, dat wij de aarde niet zomaar naar onze hand mogen zetten, alsof het ons bezit was, komt ook naar voren in andere religies, waar veel meer dan bij ons de verbinding met de natuur gevoeld wordt en de gelijkwaardigheid met de dieren en planten.  De indianen zien de bizon, de zalm en de beer als medebewoners. De schepping is voor hen een geheel van allerlei levensvormen, die familie van elkaar zijn en familie maak je niet kapot. Je haalt er geen grondstoffen uit en je legt er geen oliepijpleiding in. Veel indianen waren dan ook diep geraakt toen Trump besloot de plezierjacht op de grizzlybeer weer te openen.

De overtuiging dat God ons de natuur gegeven heeft als broer en zuster, komt ook naar vormen in onze eigen kerkelijke traditie: Franciscus van Assisi beschreef het in zijn bekende Zonnelied: Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt,

en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten. In dat lied wordt God steeds geloofd om de schepping. In het Italiaans staat er: Laudato si – wees geloofd. En onze huidige paus Franciscus heeft vier jaar geleden een encycliek geschreven, juist met deze titel: Laudato si. Wees geloofd Heer om uw prachtige aarde! Maar tegelijk is dit pauselijke geschrift een indrukwekkende waarschuwing aan de mensheid. Een citaat uit deze encycliek: Franciscus van Assisi herinnerde ons eraan dat ons gemeenschappelijke huis ook als het ware een zuster is met wie we het bestaan delen en een mooie moeder die ons in haar armen neemt. Deze zuster protesteert om het kwaad dat wij haar hebben aangedaan, vanwege het onverantwoorde gebruik en het misbruik van de goederen die God in haar heeft gelegd.  Wij zijn opgeroeid met het idee dat wij haar eigenaar en heer waren, bevoegd om haar te plunderen. Het geweld dat in het, door de zonde gewonde hart van de mens aanwezig is, wordt ook zichtbaar in de ziektesymptomen die wij in de bodem, het water, de lucht en de levende wezens gewaarworden. (…) Wij vergeten dat wij zelf aarde zijn.  Ons lichaam zelf wordt gevormd door de elementen van de planeet, haar lucht geeft ons adem en haar water schenkt ons leven en verkwikt ons. (Laudato si 1-2)

Milieubeheer en optreden tegen klimaatverandering zijn natuurlijk geen zaken die je direct in de bijbel kunt terugvinden. Dat is logisch, want de bedreiging van de aarde, zoals wij die nu kennen was niet aan de orde. Maar wat wel heel duidelijk naar voren komt is, dat je als mens geroepen bent uit slavernij tot vrijheid. En dat het nu je verantwoordelijkheid is om elkaar vrijheid en rust en bescherming te geven. Er wordt dus zorg van je gevraagd: naar je medemens toe, maar ook naar dieren en zelfs naar gewassen toe. Dat komt naar voren in het gebod van de sabbatsrust: Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden; dan kunnen ook je rund en je ezel uitrusten en kunnen je slaven en de vreemdelingen die voor je werken op adem komen. (Hebr. nafasj) (Exodus 23:12). Het gebod houdt dus in: geef je medemens, ook je slaaf en zelfs je dieren de gelegenheid om zich te herstellen en weer op adem te komen. Dat is een bijzondere boodschap voor onze samenleving die zo vaak productiviteit en efficiëntie veel hoger aanschrijft dan rust en harmonie. En de bijbeltekst gaat nog verder: ook de grond heeft rust nodig. Maar ze zal in de perioden van rust de armen en achtergestelden een kans geven. Daar is meer voor nodig dan een wekelijkse rustdag. De Sabbat blijkt zich plotseling uit te strekken over jaren, ja zelfs over tientallen jaren: 50 jaar. We lezen in Leviticus (25:4-6): Het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten. Het is een sabbatsjaar dat aan de HEER gewijd is. (…) Wat er in dat jaar op het land groeit is voor jullie allen. Je mag er zelf van eten, maar ook je slaven en slavinnen, je loonarbeiders en de vreemdelingen die bij je te gast zijn. In Exodus 23:11 worden in dit kader de armen en zelfs de dieren van het veld genoemd.

En de voorschriften reiken nog verder: Na zeven sabbatsjaren gebeurt er iets dat nog ingrijpender is: dan is het een jubeljaar, ofwel: jobeeljaar. Dat wordt ingeleid doordat er luid op de jobeel, de ramshoorn geblazen wordt. Dat is niet alleen een jaar van rust voor mensen dieren en planten. Maar bovendien wordt er dan rechtgezet wat scheefgegroeid is. De stammen van Israël hadden elk hun grondgebied en iedere familie had weer zijn stukje land om van te leven. Maar wat nu als je gehandicapt raakte of om andere reden moeilijk in je levensonderhoud kon voorzien? Dan kon je je land verkopen, of in het uiterste geval jezelf verkopen om als dagloner bij iemand in dienst te gaan. Op die manier ging voor sommigen het landbezit en het arbeidsvermogen groeien, terwijl anderen landloos en berooid werden. In het vijftigste jaar, het jubeljaar, werd alles rechtgezet: het land werd teruggegeven aan de oorspronkelijke stam en de dagloners werden weer vrije mensen. Uiteindelijk was de achterliggende gedachte: De aarde en wij allemaal zijn van God. En we hebben het land alleen in pacht. We zijn allemaal geroepen tot vrijheid en zorg voor elkaar: gun elkaar: rust om op adem te komen, landgebruik voor wie zijn grond kwijtraakte, vrijheid en een eigen leven voor wie aan lagerwal raakten.

De sabbat, het sabbatsjaar en het jubeljaar zijn geen onproductieve jaren. Nee, ze schenken de rust en ontstressing die we zo nodig hebben en ze herstellen menselijke verhoudingen. Heel bijzonder, maar wel kenmerkend, is het dan ook, dat Jezus een gekromde en verkrampte vrouw uitgerekend op de sabbat geneest: juist dan mogen we de bevrijding vieren.

Heeft dit alles ook met ons en onze wereld te maken? En met ons eet- en koopgedrag? Ik denk het wel. De Duitse theologe Dorothee Sölle zei eens: als ik zie dat koffie in de reclame is, zegt in mij het stemmetje van de kapitalist: nu kan ik goedkoop aan mijn spullen komen, maar ik wil luisteren naar een andere stem. Heeft God iets te maken met ons geschuifel door de supermarkt. Ja, als we naar die andere stem luisteren en vanuit de woorden van de bijbel nadenken over de vraag: draag ik in mijn keuze eraan bij om de hitsige winstbeluste economie af te remmen en de aarde rust te geven om zichzelf te herstellen? Help ik, in wat ik koop of laat liggen, mensen meer arbeidsgeluk en vrijheid te geven? Laten we elkaar niet de maat gaan nemen in het al of niet eten van vlees en zuivel, over certificaten en invoerlanden. Wel gaat het om bewustwording, eerlijk nadenken: bij de kleine aanschaf van wat we eten. Ons afvragen of wij iets kunnen doen aan de grote wereldeconomie. En ons dan de vraag stellen: is het niet tijd voor ons allen om die grote Copernicaanse omwenteling te maken en te zeggen: niet van ons., maar van God is de aarde en wie erop wonen. En aan ons het om, zo eerlijk en goed als we kunnen, alles te bebouwen en te bewaren.

De vrouw die een engel werd…

Preek over Mattheus 26:6-13

Inleiding

Het evangelie, de goede boodschap, wordt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats verkondigd door woorden, maar door daden van liefde. Een vrouw die zomaar binnenkomt, zalft Jezus’ hoofd met dure nardusolie ter voorbereiding op zijn dood en begrafenis. Dat is een uniek daad van liefde, die meer waard is dan alle algemene zorg voor de armen. Deze vrouw is werkelijk een ‘engel’ (boodschapper) van de goede boodschap van Jezus.

Preek

Als Jezus mensen in het voetlicht plaatst, gaat het vaak om heel andere types dan wij verwachten.  Een officier van de gehate Romeinse bezetter vraagt Jezus om hulp voor zijn zieke knecht en daarbij zegt hij: Ik ben het niet waard dat u bij mij binnenkomt, maar net als ik macht hebt in het leger, zo heeft u nog veel meer macht. U hoeft maar één woord te spreken… (Mattheus 8:8) Jezus is zo onder de indruk, dat hij zegt: zoveel geloofsvertrouwen heb ik hier, bij mijn eigen volk, nog niet aangetroffen. In een ander evangelieverhaal wordt gesproken over om een vrouw uit het half heidense Tyrus en Sidon, die een psychisch gestoorde dochter heeft. Ook zij toont een onvoorwaardelijk vertrouwen in Jezus. (Mattheus 15:27-28).

Het lijkt soms of Jezus wil zeggen: Degenen van wie je het verwacht begrijpen vaak niet echt wat ik bedoel, maar zij van wie je het helemaal niet zou denken, doen in de praktijk precies wat ik op het oog heb. Het scherpst komt dat naar voren in het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. De Samaritanen vormden een groep van een half-heidense migratieachtergrond, heel vroeger immigranten uit Assyrië. Maatschappelijk telden ze niet mee. Maar Jezus vertelt, dat zo’n Samaritaan de echte menselijke betrokkenheid opbrengt, waar zogenaamde vrome en bijbelgeleerde mensen het laten afweten. Ja, het gaat zelfs zover, dat Jezus – in een voorbeeldverhaal – een corrupte belastingambtenaar stelt tegenover een geestelijke leider. En hij zegt: Als die eerste toegeeft dat hij fout zit, is dat veel meer waard, dan wanneer die wetgeleerde zelfingenomen verder leeft. Het gaat niet om wat je allemaal weet of kunt, maar om wie je bent en wat je opbrengt aan liefde en trouw.

Het verhaal van de zalving van Jezus door een vrouw die zomaar binnenkomt, laat dat op een indringende manier zien. Vanuit het oogpunt van efficiënt geldbeheer is het onzinnig wat deze vrouw doet: dure nardusolie over Jezus uitgieten. Begrijpelijk dat de leerlingen deze verspilling van kostbare geurzalf afwijzen. Volgens Johannes is het vooral Judas, als beheerder van het geld, die zulke verkwisting afwijst. (Johannes 12:4-6) Jezus leerlingen hebben trouwens een heel bijbels argument voor hun protest. Er staat namelijk in de Thora: Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. (Deuteronomium 15:11). Het is dus allemaal precies volgens bijbelse normen en sluit aan bij ons redelijke denken: ga op verantwoorde manier met je bezit om en houd in het oog wie het minder heeft.

En tòch zegt Jezus: het klopt niet! En, opvallend genoeg, citeert hij dan precies die tekst uit de Thora, waarop zijn leerlingen zich zojuist beroepen hebben: Armen zullen er altijd zijn bij u. Maar zijn conclusie is niet: reserveer dus voor hen het geld. Jezus richt zijn blik niet op algemeen beleid, maar op deze ene vrouw en op haar uniek daad van liefde. Armen zullen er altijd zijn bij jullie, maar ik ben er niet altijd. Deze vrouw heeft misschien geen kennis van de Thora en ze heeft geen verstand van beleid uitzetten voor minder draagkrachtigen, maar ze geeft zichzelf. Ze geeft geurige olie, waarvoor ze mogelijk een leven lang gespaard heeft. En ze doet dat vanuit het diepst van haar hart. Om hem te geleiden op weg naar zijn dood. Nardus van troost en zalfolie voor de laatste verzorging van zijn lichaam. Die armen zijn er altijd – dit kun je maar één keer doen.

Heel bijzonder, deze vrouw. Ze hoorde er niet bij, kwam zomaar onverwacht van buitenaf binnen. Een buitenstaander, net als die Romeinse hoofdman, die vrouw uit Tyrus en die Samaritaan. Maar wat zij doet blijkt de goede boodschap: evangelie. Niet in woorden, maar in gezindheid en in daad. Jezus zegt: waar ook ter wereld het goede nieuws – het evangelie – verkondigd zal worden, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’

Het woord ev-angelie (Gr. eu-angelion)hangt samen met het Griekse woord ‘angelos’, waarvan ons woord ‘engel’ is afgeleid. ‘Engel’ betekent dan ook gewoonweg: boodschapper, gezant. Het mooie is hier, dat deze vrouw een brenger is van de goede boodschap door met hart en ziel bij Jezus te zijn, in een daad van liefde. Als de goede boodschap van Jezus de wereld door zal gaan, kunnen we haar niet missen. Want je kunt wel van alles zeggen over God, Jezus de bijbel en er mooie vormen en rituelen voor bedenken. Maar het komt aan op doen – er zijn, als mens ‘engel’ van God zijn voor een ander.

Dat kan ons tot nadenken zetten: persoonlijk, maar ook in de kerk en in de samenleving. Wie aandacht heeft voor wat Jezus werkelijk op het oog heeft, moet zich misschien maar eens minder druk maken om vormen, regels, algemeen beleid, sociale stelsels. Zulke zaken kunnen weliswaar hun eigen waarde hebben, maar de goede boodschap van Jezus wordt vooral zichtbaar, waar mensen persoonlijk en heel direct met elkaar in liefde verbonden zijn.

.

Hoe ver moet je gaan…?

Preek over Lucas 20:9-19

Inleiding

Het lijkt of Jezus een gruwelijk verhaal vertelt over onwil en verzet, moord en bestraffing. Maar hij wil ons juist wijzen op het belang van geduld. God is in zijn parabel de landheer die ongelooflijk meegaand is, naïef zelfs. Aan ons wordt steeds weer een spiegel voorgehouden: Wat zou jij doen in zijn plaats? Zo blijkt een scherp verhaal een dringende oproep te zijn, waarin het uiteindelijk gaat om de vraag: wat is er van jou te verwachten aan liefde, zorg en trouw?  

Preek

Wat is dit een hard en negatief verhaal – dat was de eerste gedachte die bij mij opkwam bij het lezen van de gelijkenis die Jezus vertelt over de onrechtvaardige pachters. Het gaat over onwil en verzet, moord, bestraffing en het verdrijven van de pachters. Je wordt er zeker niet blij van.  Als God Liefde is en Jezus mildheid en barmhartigheid, wat moet je dan met zo’n liefdeloos verhaal? – zo dacht ik.

En toen las ik een bericht van het wereldnatuurfonds over de vergiftiging van de zee: Per jaar komt meer dan 8 miljoen ton plastic afval in zee terecht. Dit kost elk jaar miljoenen dieren het leven: vissen, vogels, schildpadden, zeehonden, walvissen en dolfijnen. Ons voedsel uit zee blijkt verontrustend veel gif te bevatten. Dit terwijl circa 2 miljard mensen wereldwijd van zee afhankelijk zijn voor hun voedsel.

Ik kon mij niet losmaken van de gedachte, dat dit ging over de aarde die wij in pacht hebben. Natuurlijk heeft Jezus het niet over vervuiling van onze aarde, maar zijn woorden gaan wel over de vraag: Wat is er van je te verwachten? En wil je je verantwoordelijkheid op je nemen? En als je de woorden van Jezus goed leest, dan gaat het niet over een harde en meedogenloze God en over een liefdeloze houding in de geest van: voor jou een ander. Nee, dan is de gelijkenis een pleidooi voor mildheid, geduld, trouw, rechtvaardigheid. Als dit bijbelgedeelte hard en negatief overkomt, zegt dat niet iets over God of Jezus, maar over de mentaliteit in onze wereld. En dan gaat het er Jezus juist om: hoe wordt onze wereld rechtvaardiger, liefdevoller. En wìj kunnen erbij denken: hoe beschermen we onze aarde beter, hoe overleven we – zowel mensen als dieren, hoe overbruggen we de kloof tussen rijk en arm, machthebbers en machtelozen.

Opvallend in de gelijkenis van Jezus is de zoekende houding van de landheer. Hij is niet de dictator die zegt: nu opbrengst, of anders van mijn land af. Nee, hij stuurt tot drie keer toe knechten. Niet om de oogst van de wijngaard in te pikken, maar alleen om het deel op te halen van de vruchtopbrengst die hem als landeigenaar toekomt. Tot drie keer toe! De eerste gezant van de landheer wordt door de pachters geslagen en met lege handen teruggestuurd, de tweede wordt afgeranseld en vernederd (Gr. a-timazooont-eren) en komt ook zonder iets terug en de derde wordt afgetuigd (Gr. traumatizoo) en de wijngaard uitgegooid. Wij zouden al lang gezegd hebben: die landheer is veel te aardig. Hij laat over zich heenlopen. Maar het gaat nog verder. Nadat al die knechten berooid en verwond terugkomen, is er nog geen zweem van wraakzucht bij de landheer. Hij stelt alleen maar een vraag: Wat zal ik doen? Wat moet ik nu toch doen? En dat is eigenlijk de vraag die Jezus aan zijn hoorders en daarmee ook aan ons stelt: Zeg het zelf maar eens – wat vind je nu, dat deze landheer zou moeten doen? Wat zou jij doen? En we denken: Onmiddellijk die gemene kerels van dat land afgooien! Het is mooi geweest. Genoeg is genoeg. Maar dan komt het onthutsende: dat doet die landheer helemaal niet. Hij denkt: Laat ik mijn zoon sturen, van wie ik zo houd. Misschien (Gr. isoos) zullen ze ontzag voor hem hebben (Gr. en-trepoo). Wellicht zal zijn komst hen op andere gedachten brengen en zullen ze tot inkeer komen. Dat is heel vriendelijk bedacht door deze landheer, maar het is wel naïef. Want zo gauw zij de zoon aan zien komen, denken de pachters: hem moeten we hebben. Hij is de erfgenaam. Het zou namelijk zo zijn in die tijd, dat wanneer je niet bekend was aan wie land toebehoorde, dat je het je dan mocht toe-eigenen. Dat zou dus inhouden, dat wanneer de eigenaar niet meer zelf op kwam dagen, het land voor hen was. Dus ze doden de zoon van de landheer. Dit is ongehoord! Voor ons gevoel moet hier een keiharde straf op volgen. Maar opnieuw worden we zelf uitgedaagd tot nadenken: Zeg maar eens: Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen? Wat is je eigen conclusie? En we kunnen niet anders doen, dat denken: Die pachters moeten weg. Dit maakt het leven van de landheer kapot. En zo blijft alles wat de wijngaard opbrengt alleen maar in het bezit van profiteurs. Dan zal er wel een andere manier gevonden moeten worden om de landheer de opbrengst van de wijngaard te geven die hem toekomt. Andere pachters.

Maar wie zijn dan die andere pachters? En wie zijn trouwens de eerste, onrechtvaardige pachters? De uitleg van deze gelijkenis is vaak geweest, dat het zou gaan over het volk Israël. Dan wordt verwezen naar bijbelgedeelten zoals Jesaja 5, waarin Israël vergeleken wordt met een wijngaard die maar geen vrucht opbrengt. God stuurt veel profeten die elke keer weer zeggen: leer nu eens dat Thora doen méér is, dan dat je je voor de vorm aan allerlei regels houdt. En dat het ook méér is dan al die godgewijde offers. Als je echt leeft volgens de Thora, gun je elkaar vrijheid en breng je zorg voor de armen op. Maar mensen zijn regelmatig vol van andere dingen en profetenwoorden verwaaien dan ook vaak in de wind. De profeten worden dan ook afgeranseld en vernederd en als het ware met lege handen naar God teruggestuurd. En ook de zoon, waarmee Jezus op zichzelf doelt, wordt niet ontzien. Dus daarmee zou Israël het verbruid hebben en verwacht God de rechtvaardigheid van andere volken. In kerkelijke kring is dit vaak de uitleg geweest van deze tekst: Israël heeft de vrucht van liefde en trouw niet opgebracht. Nu is het van ons, de kerk, te verachten. Ik vind die uitleg van de tekst heel bedenkelijk en antisemitisch.

Jezus stelt Israël niet tegenover andere volken. Zijn toehoorders waren alleen maar Joden, maar wel van verschillende achtergrond. Hij spreekt tot het volk als geheel, maar zijn scherpe kritiek heeft betrekking op de geestelijke leiders. Zij zijn de onrechtvaardige pachters. Van hen zou je kunnen verwachten, dat ze de Thora in praktijk brengen, maar juist tegen hen zegt Jezus: ‘Wee jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan.’ (Lucas 11:46). Jullie de denken dat je Gods wil doet door je aan allerlei regels te houden en met de Schriften bezig te zijn, maar het gaat om rechtvaardigheid doen, jezelf klein maken voor God, ontvankelijk worden als een kind (Lucas 18:17). Ik reik je daarvoor de basis aan. Ik wil zelf die grondslag daarvoor zijn. En dan neemt Jezus een voorstelling over uit Psalm 118, die gaat over het leggen van het fundament van een belangrijk gebouw. Hij zegt: Jullie, geestelijke leiders, zijn als bouwmeesters die zeggen: zo’n ruwe, hoekige steen als u bent, kunnen we niet gebruiken. Maar ik zeg jullie: als jullie doorgaan op jullie eigen heilloze weg, dan kun je wel eens stuklopen op mij, op wat ik jullie voorhoud. Je valt dan kapot op die steen, of je wordt erdoor verpletterd.

Maar, behalve die geestelijke leiders, zijn er ook die anderen, de mensen die eruit liggen: hoeren en tollenaars. Over zo’n tollenaar die zich klein maakt en zich openstelt voor God, zegt Jezus: Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God (Lucas 18:14a). Zij zouden wel eens de eerlijke pachters kunnen zijn, die de wijngaard mogen overnemen.

Wij staan nu voor de vraag: Wat betekent deze gelijkenis met het oog op ons: Ik zie het beeld voor me van een goedwillende landeigenaar: God die de wereld draagt. Van ons wordt verwacht om elkaar niet de maat te nemen, maar kansen te geven. Van ons wordt gehoopt dat we eerlijkheid opbrengen, liefde geven, elkaar met trouw en zorg omgeven. En steeds zijn er mensen die daartoe aanzetten: de oude profeten – en Jezus. Ik zie ook het geduld en haast naïeve vertrouwen van de landheer. De teleurstelling, de pijn, de woede als de rechtvaardigen vervolgd worden en gedood worden. Toch hoeven we niet te blijven staan bij negatieve ideeën en voorstellingen. Jezus’ gelijkenis eindigt met de woorden: ‘Hij geeft de wijngaard aan anderen.’

Dat is een hoopvolle voorstelling. Het houdt niet op bij de onwilligheid van sommige mensen: Gods zorg voor de wijngaard, die onze wereld is, gaat door. Het is in de lijn met die oude profetie uit Jesaja: Ik, de HEER, houd de wacht over mijn wijngaard. Dat ontslaat geen mens van zijn verantwoordelijkheid. Maar zulke woorden zeggen mij wel: Laten we met verwachting en vertrouwen naar onze aarde kijken: ook als de zeeën vergiftigd zijn en de natuur bedreigd wordt, ook als onrecht soms de overhand heeft. Toch kan deze aarde op een eerlijke en zorgzame manier bestuurd worden. Er zullen ook altijd weer rechtvaardige pachters gevonden worden en wij mogen op onze eigen manier aan Gods goede wereld bijdragen.

Geef het niet op… De parabel van de vijgenboom

Preek over Lucas 13:6-9

Inleiding

Je kunt een vijgenboom niet dwingen vrucht te geven. Wel kun je hem alle zorg geven en hopen dat er dan vijgen aan komen. Jezus verkondigde Gods rijk van liefde en vrede, maar zijn toehoorders deden er niet aan mee. Het leverde dus geen vrucht op.

Wij zouden het in die situatie opgeven: voor jou wel een ander. Maar Jezus blijft hopen dat zijn boodschap zal doorwerken, al vraagt het geduld. Daarmee worden ook wij uitgedaagd: hoe snel geef je de ander op? Wat kun je nog aan zorg en liefde geven? Lukt het je om op wonderen te blijven hopen?

Preek

Alles moet in onze samenleving snel klaar zijn. Zorgverzekeringen stellen krappe budgetten beschikbaar. Er is vaak geen tijd meer om mensen genoeg aandacht te geven. Klanten eisen dat een product snel geleverd wordt. Tijd is geld. En dat schijnt schaars te zijn. Werknemers worden opgezweept. De productiviteit moet op peil blijven of toenemen. Kortom: we leven in een omgangscultuur van haast en ook van ongeduld.

Maar vanmorgen zien we het beeld voor ons van het tegendeel: een vijgenboom die maar niet uit wil lopen. In onze maatschappij was hij al drie keer omgehakt en vervangen door een aantal kleinere met grotere productie: zeg maar een laagstamvijgenboom. Maar in de gelijkenis van Jezus lijkt de tuinman haast naïef als hij de landheer aanraadt af te wachten. Omhakken kan altijd nog.

Laten we eens in gedachten bij die boom stilstaan: Zo’n boom is er in al zijn schoonheid. Hij heeft het een eind gebracht, maar nu nog opbrengst. Die laat zich niet afdwingen. Je kunt er alleen op wachten, verlangend, hoopvol. Of nee, je kunt er ook iets aan doen: onkruid weghalen, er nog eens omheen graven, bemesten. En dan maar weer vol verwachting kijken wat er gebeurt. Het gaat volledig in tegen het ongeduld van onze tijd. Maar je kunt er veel van leren. Want het zegt iets over ons? Hoe wij elkaar bejegenen, zorg aan elkaar besteden, wat wij verwachten. En het zegt iets over God: zijn geduld is de ruimte waarin wij elke dag weer gesteld worden. Hij is niet de norse directeur die de productie op wil drijven en voor hem ben je geen middel om zaken voor elkaar te krijgen. Maar Hij schept de ruimte voor ons om echt mens te worden: uit te groeien, vrucht te dragen.

Je kunt deze gelijkenis van Jezus op verschillende manieren lezen. Centraal staat in dit verhaal een vijgenboom, die middenin een wijngaard staat. Dat beeld van de wijngaard kan ons meteen al tot nadenken zetten. Want daarover gaat het ook in Jesaja 5. Hier wordt verwezen naar God, die grote verwachtingen had van zijn volk, maar die ontgoocheld uitkwam: Mijn geliefde had een wijngaard, gelegen op vruchtbare grond. Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit en plantte een edele druivensoort. (…) Hij verwachtte veel van zijn wijngaard, maar die bracht slechts wrange druiven voort. Vervolgens legt Jesaja uit waar het hier eigenlijk om gaat. God stelt zijn aan zijn volk kritische vragen: Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem, spreek recht tussen mij en mijn wijngaard. Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen, wat heb ik te weinig gedaan? Ik verwachtte zo veel van mijn wijngaard, waarom bracht hij slechts wrange druiven voort?

En dan zegt Jesaja: Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten, de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.

Zo gaan we ook iets begrijpen van wat Lucas hier bedoelt: De wijnberg kan dus ook hier op Israël slaan. De Vijgenboom zou je dan kunnen zien als Jeruzalem, het geestelijk centrum. De inwoners van de stad, en in het bijzonder de Thorageleerden, doen niets met Jezus oproep tot eerlijk en liefdevol leven. Ze blijven vruchteloos als een dorre vijgenboom. Maar Jezus wil hun nog een kans geven.

Er zit wel een risico aan zo’n uitleg. Want het kan een afwijzing van het volk Israël lijken. En dat is niet waar het om gaat. Natuurlijk, Jezus sprak tegen de mensen in Jeruzalem, want dat waren zijn volksgenoten. Maar laten we hierin niet lezen: Israël heeft zijn kansen verkeken.  Uiteindelijk gaat het om ons allemaal, om allen die de woorden van Jezus horen.

Daarom wil ik deze bijzondere parabel van Jezus ook met het oog op ons lezen. Wij zijn allemaal mensen met ons ze eigen waarde. Jezus spoort ons aan om onze krachten in te zetten voor meer eerlijkheid en rechtvaardigheid Je zou oprechter en opener moeten worden. Wees jezelf bewust van wat je steeds weer opdrijft aan eigenbelang. Leer meer en meer inzien dat allerlei verlangens en angsten je afhouden van beschikbaarheid. Soms ga je echt de mist in. Dat wordt dan ‘zonde’ genoemd. Wat betekent: Je mist dan wat eigenlijk zo waardevol is voor jezelf en de wereld om je heen. En daarom gaat het ook weleens door je heen: wat breng ik ervan terecht? Hoe doe ik het goed? En het gaat niet alleen om ons persoonlijk, maar de samenleving doet daaraan mee, door je valse waarden voor te spiegelen en jij laat je misschien wel meenemen, tegen je wil in. Zo kun je wel eens mismoedig worden van allerlei ontwikkelingen in de wereld: geweld, soms heel dichtbij, misbruik van mensen en dieren, uitbuiting. Misschien begrijpen we dan ook iets van die dramatische woorden van Jesaja: een wijnberg waar heel wat opbrengst van te verwachten is, maar je ziet vooral onkruid. En toch zouden we willen, dat iets van Gods wereld van liefde en trouw ook voort zou komen uit onze handen.

De parabel van Jezus lees ik dan als een bemoediging en vertrouwen. Wij zouden vanuit ongeduld de neiging hebben om te zeggen: Het schiet maar niet op met goedheid en zorg en liefde in onze wereld. Of, zoals Gerard Reve het ooit verwoordde: dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat? Tegen dat heersende wantrouwen ziet ik daar de vijgenboom uit de parabel van Jezus staan: Hij geeft nog geen vrucht, maar geef het niet op. Alleen al die gedachte geeft ons een geweldige ervaring van ruimte. Je voelt, dat er Iemand tegen je zegt: ik heb vertrouwen in jou, ik heb vertrouwen in deze wereld, ook al gaat er veel mis. Ik kan wachten, want ik reken erop dat het goed komt. Het is de stem van Jezus. Hij zegt het in Gods naam. Het is een weldadig woord in een wereld vol ongeduld en stress, waar mensen elkaar afkappen en afschrijven. Waar wij elkaar de maat meten: te klein, te weinig productief, te jong of te oud, niet van ons volk, niet ontwikkeld genoeg. God zegt: je bent goed, zoals je bent. En ik geloof dat je kunt opbloeien en vrucht dragen.

Twee aspecten zijn wel uiterst belangrijk: zorg en vertrouwen: De tuinman zegt: ik graaf nog eens om de boom heen en geef nog wat extra mest. Ik leg dat uit als: Wil je dat het goed komt, geef dan de ander niet op, maar geef extra zorg. En laten we allerlei zaken in de kerk, in ons gezin, op ons werk evenmin loslaten vanuit de gedachte: het lukt toch niet! Nee, laten we ons juist inspannen, extra aandacht en liefde geven. En vooral: vertrouwen hebben dat het goed komt: ook als het tegenzit, in de politiek, in de discussies over klimaat en zorg voor de aarde. Niet afkappen, de ander proberen te begrijpen, een gedragsverandering op gang brengen of houden. En geduld beoefenen. Misschien zou dat een waardevolle bijdrage van ons joods-christelijk geloof zijn aan de samenleving: oefen geduld, oefen zorg, oefen vertrouwen. Zoals van God gezegd wordt: hij is erbarmend, genadig, lankmoedig rijk aan goedheid en trouw. (Exodus 34:6).

Maar hoe ver gaat geduld. De gelijkenis eindigt met de woorden: misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan zul je hem omhakken. Er staat niet: hak hem om!  – als gebiedende wijs. Het is een toekomende tijd (Gr. ekkopseis): Je zult hem dan omhakken. Ja zo zal het dan wel gaan… Het moet niet, maar het is dan te verwachten. Fascinerend vind ik de manier de weergave in de Nieuwe Bijbelvertaling: misschien zal hij het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken. Daarin wordt sterk benadrukt: het gaat om het geduldig wachten, omhakken kan altijd nog.

Toch bepaalt dit laatste gedeelte ons wel bij de grenzen die ook wij kennen. Geduld is een waardevolle uitdaging, want het helpt ons om samen met anderen en met onze aarde verder te komen. Maar geduld kan toch opraken. Soms kun je niet anders dan ingrijpen, afkappen, ruimte maken voor iets anders. Het fascinerende is, dat de gelijkenis ook aan die gedachte ruimte geeft. Wat Jezus ons bracht aan liefde, geloof en vertrouwen in Gods naam, gaat verder! Is het niet langs de ene weg, dan wel langs een andere. Waar het ene verdort, bloeit het andere op.

Vanmorgen gaat het om geduld: ruimte om jezelf te worden en op je eigen manier tot bloei en tot vrucht te komen. Dat wordt ons gegeven. Dat mogen we elkaar geven. Dat helpt ook om met andere ogen naar onze samenleving te kijken: met meer liefde en verwachting. En bij alles hoop te houden. Al lijken zaken dor en vruchteloos, steeds zijn er ook goede perspectieven. Al lijken mensen ongenaakbaar – laten we elkaar zoeken, zolang het kan. En anders loslaten in het vertrouwen dat het langs andere weg goed komt: Dat er, hoe dan ook, vrucht gevonden zal worden en dat de liefde het zal winnen.

Verleidelijke gedachten…

preek over Psalm 91:9b-15a en Lucas 4:1-13

Inleiding

Je kunt vol enthousiasme aan iets beginnen, maar dan kunnen twijfel en verwarring toeslaan. Jezus werd gedoopt en wilde vol van Gods Geest zijn missie beginnen: Iedereen laten weten dat Gods Rijk van Vrede aan zou breken. Een stem zei hem: Jij bent Gods Geliefde Kind, maar een andere stem zaaide twijfel. Die tegenstem was van de Grote Verwarrer, de duivel. Door valse voorstellingen over Gods ingrijpen en de waarde van macht, dreigde hij alles op zijn kop te zetten. Jezus ging er niet in mee. Het verhaal zet ons aan het denken over ons eigen leven: over het gevaar van macht en over God, die niet door tovermacht ingrijpt, maar wel ‘engelen’ gebiedt om ons op handen te dragen.

Preek

Vandaag gaat het over ‘verwarring’, dingen die door elkaar lopen in ons hoofd. En ook over vragen die uit die verwarring voortkomen: Waar kan ik op rekenen? Wat is betrouwbaar en geloofwaardig? En daarom ook: Wat zijn drogbeelden die wij maken van God en met welke voorstellingen bedrieg ik mijzelf?

Een pregnante rol in het verhaal van vanmorgen speelt de duivel. Maar wie of wat is dat? Laten we de middeleeuwse voorstelling van een figuur op bokkenpoten ver achter ons laten. En je kunt je sowieso afvragen of je iets van een gestalte voor je zou moeten zien. Het gaat om de stem van verwarring en verleiding. Die stem krijgt vorm in een verhaal over Jezus. Maar zo’n stem kan evengoed in ons spreken.

Ons woord duivel komt van het Griekse woord dia-bolos. Dat hangt weer samen met een werkwoord (Gr. dia-balloo) dat betekent: door elkaar gooien. De Duivel is dus de Grote Verwarrer. En los ervan of we dat ‘door -elkaar-gooien’ toeschrijven aan een gestalte, zullen we die verwarring hoe dan ook herkennen als een realiteit in ons bestaan. Want je bent dan misschien overtuigd van een bepaalde levenswijze, of je baseert je leven op een diepgewortelde zekerheid – maar er hoeft maar iemand te roepen: vind je dat echt? of je denkt: Tsja, is dat wel zo? Of er gebeurt iets ingrijpends en je denkt: Hoezo een God van liefde? Daar waar je vol vuur en overtuiging iets aanpakt, kunnen zich ook de knagende vragen aandienen: Wie ben ik? Wat zie ik als levensopdracht? Waar geloof ik in en wat verwacht ik van God? En waarom wordt onze geest steeds weer door elkaar gegooid?

Er was een topervaring in Jezus’ leven. Dat was toen hij gedoopt werd in de Jordaan. Die doop was een bewuste keuze om zo een nieuwe stap te zetten. Jezus was ervan doordrongen, dat het in ons leven anders moet en anders kan. Het gaat niet om regeltjes napluizen en net doen of je beter bent dan anderen. Nee, je bent geroepen tot een leven met hart voor de mensen om je heen: Liefde voor elkaar, zorg voor wie achtergesteld is en vertrouwen dat het goed komt. En dat – zo geloofde Jezus – zou plotseling doordringen. De macht van de liefde, van God, zou door alle mensen heenwerken. En het negatieve en destructieve zou worden verdreven. Kort gezegd: Gods Rijk stond op het punt om door te breken in de tijd.

En Jezus zelf voelde na de doop dat de geestkracht van God in hem werkte. Hij hoorde een stem die zei: Jij bent mijn geliefd kind, aan jou ervaar ik geluk. (Lucas 3:22). Een ‘hogere’ stem, maar ook een diep innerlijke stem: Ga het nu waarmaken!

Maar dan lezen we, dat Jezus door de Geest de woestijn in geleid wordt en daar loopt hij veertig dagen door de wildernis en wordt geplaagd door vragen. De woestijn staat voor onherbergzaamheid en bedreiging. Direct voelen we al aan, dat hier ook gedoeld wordt op de tocht van het volk Israël door de woestijn, veertig jaar lang. Ook zij hadden voortdurend die knagende vragen: Wat doen we hier? Zijn we hier om allemaal dood te gaan? Is er nog een God die zich om ons bekommert? Het zijn vragen van toen, van Jezus, van ons.

De woestijn is de plaats waar je levensvragen zich bundelen: Wat heb ik aan dat, waar ik zo en­­thousiast voor leef, al mijn hooggespannen verwachtingen over mijzelf en over God? De verwarring komt op: Jij ben toch dat geliefde kind, Zoon van God genoemd, maar dan zal God je toch niet laten verhongeren. God kan toch alles? Zou hij je zelfs uit stenen geen voedsel kunnen geven? Vraag of ze broden worden. Ik denk dat het een gevaarlijke verleiding is om zó over God te denken. Alsof God als bij toverslag materiële behoeften oplost. Zo werkt het niet, ook niet in onze wereld. Honger zullen we door concrete middelen moeten aanpakken. Armoede en achterstand zullen we door wettelijke maatregelen terug moeten dringen. Voor mijn part in Gods naam, maar het komt niet uit de hoge. Toch ervaar je soms dat je redding toevalt. In de woestijn vond het volk Israël schilfertjes op het zand. Het smaakte zoet en verrast zeiden ze: Ma-na?. Wat is dat toch? En Mozes zei: dat is het brood dat de Eeuwige u te eten geeft. (Exodus 16:15).

Bij dat verhaal sluit Jezus aan als hij de stem van de Verwarrer tegenspreekt. Jezus haalt een woord van Mozes aan die tegen het volk zei: God leerde jullie dat je er niet alleen maar komt door het brood dat voorhanden is, maar dat je soms onverwacht voedsel vindt en zo ontdekten jullie dat je uiteindelijk leeft van wat uit zijn mond komt: woorden van liefde en trouw, maar ook zijn wil, dat je het redt, ook als het moeilijk is. Een mens leeft niet van brood alleen. (Deuteronomium 8:3)

Er is nog een denkbeeld van verwarring. Dat is de illusie van de macht. Jezus was vol van het geloof in Gods Rijk, dat overal door zou breken. Hij liet er iets van zien in daden van liefde, in zegenende en bemoedigende handen. Maar het is een duivelse verleiding, dat je dat Rijk met macht kunt opleggen.   We zien in onze tijd de ellende waarmee Isisstrijders tijd het kalifaat wilden vestigen, het Rijk van Allah. Maar ook de kerk heeft vanaf Constantijn de Grote vaak gebruik gemaakt van de macht. De koning en de Paus werkten samen. Wie de verkeerde partij aanhing of een afwijkend geloof had, werd vervolgd en gedood. En tot in onze tijd merk je dat macht op de een of andere manier aanwezig is in geloof en kerk. Ik denk aan het misbruik van kinderen en aan het weren van mensen die niet volgens de regels gehandeld zouden hebben. Maar Gods Rijk van Liefde gaat niet samen met de dwang van macht. Jezus wijst de verlokking van de macht die Verwarrer hem voorhoudt af met een woord uit de Thora: Heb alleen ontzag voor de HEER, uw God, dien hem. (Deuteronomium 6:13).

Stel je open voor Gods Rijk van Liefde, zei Jezus. Het is dicht bij je, zoals ook God met zijn liefde dichtbij je is. Maar ben je dan tegen alle gevaar beschermd? De Verwarrer plaatst Jezus in gedachte op grote hoogte. Stel je voor: je staat daar op de tempelmuur. Is je geloof echt? Dan vertrouw je toch zeker op wat God belooft: Zijn engelen zal hij opdracht geven om over je te waken. Op hun handen zullen zij je dragen, zodat je je voet niet zult stoten aan een steen. (Psalm 91:11-12). De Verwarrer brengt ons in de verleiding om God magische krachten toe te kennen. Zo zou je kunnen denken: als ik nu maar genoeg geloof en bidt, dat zal God misschien, tegen alle natuurwetten in, een wending geven aan mijn leven. Maar dat soort wondergeloof reduceert God tot een grote Tovenaar. En laten we eerlijk zijn. Zo geloven we zelf ook niet: wie van een flat springt, rekent er echt niet op dat miraculeuze handen hem of haar op zullen vangen. En evenmin verwachten we dat iemand die terminaal is op wonderbaarlijke manier zal genezen. Met dat alles verdwijnt niet de waarde van deze Psalmwoorden. Ze betekenen in ieder geval, dat je je in diepere zin gedragen voelt. Nergens vind ik dat mooier verwoord, dan door Etty Hillesum in de tweede wereldoorlog: Soms denken mensen: Zij (de Duitse machthebbers) zullen mij niet hun hun klauwen krijgen. Maar ze vergeten dat men in niemands klauwen is als men in jouw armen is, God. Etty Hillesum vond tenslotte de dood in Auschwitz – maar desondanks: in Gods armen. De woorden van Psalm 91 ‘Het kwaad zal je niet bereiken’ (Psalm 91:10), kan ik niet anders opvatten dan wat gezegd wordt in vers 15: ‘In de nood zal ik bij je zijn.’ En ja, soms ervaar je dan, dat engelen, vaak in de gedaante van mensen, je op handen dragen.

Als Jezus vol geestkracht aan zijn missie begint, ervaart hij de verwarring, de twijfel en de illusies. Ook als Geliefd Kind van God, moet je niet willen, dat alledaags gebrek als bij toverslag opgeheven wordt. Je moet ook leren afzien van macht en miraculeus ingrijpen. Later zal Jezus zeggen: Zoek nu maar eerst dat Rijk van vrede en Liefde dat God onder ons brengt en probeer elkaar recht te doen. Als je dat doet, wordt het andere je erbij-gegeven (Gr. pros-tithèmi, Mattheus 6:33).

Al gaan deze woorden over Jezus en zijn bijzondere missie, we kunnen ze niet los zien van ons eigen leven. Ook wij kennen op allerlei gebied ervaringen van ongeborgen-zijn, eenzame vragen, leven als in de leegte van de woestijn. Ook wij zijn geliefde kinderen van God, maar komen niet heen om de Verwarrer en de verwarring: Wat is betrouwbaar en geloofwaardig? Wat zijn drogbeelden van God en met welke voorstellingen bedrieg ik mijzelf?

Uiteindelijk gaat het om leven in oprechtheid: Onder ogen zien, dat de vragen, de conflicten, de zorgen en de pijn realiteiten zijn waar we niet om heen kunnen. God behoedt ons er blijkbaar niet voor. Toch vinden we soms brood in de woestijn en ervaren we dat we op handen gedragen worden. En misschien wel juist als we ontvankelijk zijn en ons openstellen voor die rechtvaardigheid en Liefde die zomaar de wereld in kunnen stromen, ook door ons heen.

Woorden doen = bouwen op de rots

Preek over Psalm 103:8-14 en Lucas 6:35-38, 41-42, 46-49 .

Huis op het zand, op de rots

Inleiding

Wanneer Mozes de Thora geeft aan het volk, ontvangen zij die met de woorden: Alles wat de Eeuwige gesproken heeft zullen we doen en ernaar luisteren. (Exodus 24:7). Opvallend: eerst wordt ‘doen’ genoemd, daarna ‘luisteren’. Voor Israël geldt dan ook, dat het bij het geloof in de Eeuwige vooral gaat om leven volgens de leefregels van God. Als Jezus ons aanspoort: wees dan barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is (Lucas 6:36), dan zegt hij daarmee ook: geloven in de milde en trouwe houding van God heeft alles te maken met onze manier van omgaan met elkaar: oordeel niet, veroordeel niet, geef royaal – want dat doet de Eeuwige tegenover jou. En wanneer je zo Jezus’ woorden in praktijk brengt, ben je als iemand die zijn huis bouwt op een rots.

Preek

Je kunt lang praten over het geloof. Misschien ben je geleidelijk aan veranderd van inzicht. Misschien vind je het juist van belang om oude vertrouwde denkbeelden vast te houden. Het kan ook zijn, dat je zegt: laat alles wat we zeggen over God maar het mysterie achter ons leven blijven. En je kunt je de vraag stellen: hoe belangrijk is het eigenlijk om een afgerond beeld te hebben van wat we geloven, gaat het niet veel meer om de praktijk van het leven? Wat doe je ermee! Wanneer Mozes de Thora voorleest uit het verbondsboek, doet zich iets opvallends voor. Het volk geeft namelijk een opmerkelijke reactie. Je zou verwachten dat ze zeggen: we zullen nauwgezet de woorden van de Thora in ons opnemen, die overwegen in ons hart en ze vervolgens in praktijk brengen. Maar zo reageren ze niet. Ze zeggen: Alles wat de Eeuwige gesproken heeft zullen we doen en ernaar luisteren. (Exodus 24:7. In NBV helaas wegvertaald). Dat is apart: je begint al met het doen van Thora en daarna ga je nog eens luisteren naar de woorden. Natuurlijk kan dat niet letterlijk, maar het feit dat het in deze volgorde naar voren gebracht wordt, was voor veel rabbijnen aanleiding tot discussie. Er wordt in ieder geval wel iets wezenlijks mee uitgedrukt: Over bijbelwoorden kun je eindeloos discussiëren en filosoferen, maar waar het op aankomt is: Wat doe je? Hoe verhoud je je tot elkaar?  In dat opzicht kunnen wij veel van het oude Israël en van het jodendom leren. Het uitgangspunt is: er bestaan veel manieren om bijbelteksten uit te leggen. En je mag op je eigen manier nadenken over God. Maar tenslotte gaat het om je concrete bestaan: respect voor het leven van mens en dier, zorg die we elkaar geven en vrijheid die we onze medemens gunnen, een eerlijke samenleving met rechtvaardige leiders.

God blijft in zekere zin op de achtergrond. Een ondoorgrondelijk mysterie, dat ervaren wordt als bevrijder, roep om gerechtigheid en aanklager van het onrecht. Maar ook als nabijheid: Iemand die voor je uitgaat in de leegte van de woestijn, vuurkolom in de nacht van je leven. Ongrijpbaar en toch aanwezig. Maar juist, omdat hij mysterie achter je bestaan is, mag je hem niet concreet maken. Je mag je geen gesneden beeld van hem maken. (Exodus 20:4) En – wat nog gevaarlijker is – je mag niet jouw visie en ideeën op hem gaan projecteren. Dan zouden we uitkomen bij de voorstelling van een God die wil dat ketters verband worden, of die precies aangeeft welke politiek bestreden moet worden, wat de juiste moraal is, of welke religie uitgebannen moet worden. ‘God wil het!’ werd er geroepen. Of: ‘God staat aan onze kant.’ Zo mag je Gods naam niet misbruiken.

Toch ontkomen we nooit aan beeldvorming. Als je ‘God’ alleen maar als ‘ondoorgrondelijk mysterie’ aanduidt, blijft het een haast leeg woord. Dan mis je ook de kracht en het appèl die ermee verbonden zijn. In de bijbel wordt beeldend over God gesproken. Want alleen zo kan hij iets betekenen voor ons leven. Wij mensen, bijbelschrijver en profeten, maken ons een beeldende voorstelling en laten ons aanspreken. En daarbij gaat het uiteindelijk om ons concrete leven. Want wat over Gòd gezegd wordt, heeft te maken met wat van òns te verwachten is.

Wij zullen allemaal het gevoel kennen tekort te schieten. En soms verlang je  naar een moeder die zegt: ik begrijp je, het was ook moeilijk voor je. Of je ziet het beeld voor je van een vader die zegt: zand erover, we denken niet meer aan wat er misging. Begin maar weer opnieuw. Uiteindelijk gaat het erom, dat we niet ontmoedigd raken, maar ons weer willen openstellen voor de ander, eerlijk en zorgzaam zijn, de ander vrijheid en geluk gunnen.

En daarom helpt dat prachtige beeld ons: God als vader. Psalm 103: De Eeuwige is liefdevol, geduldig, trouw. En wat er verkeerd ging, ook door je eigen schuld, dat hoeft niet steeds op je te blijven drukken: Zover het oosten is van het westen – zover doet hij het weg. En ook, heel indringend: Hij weet waarvan wij gemaakt zijn. (Psalm 103:14a). Eindelijk iemand die je zwakheden kent en beseft waarom het steeds weer fout kan gaan. Wie God is, is weliswaar ondoorgrondelijk, maar deze concrete voorstelling van hem helpt je om je geaccepteerd te weten, anderen te aanvaarden zoals zij zijn en daarnaar te handelen in het leven van alledag.

Als Jezus over God spreekt, heeft hij het tegelijk ook over ons en over alles waar wij mee te maken hebben. Wees barmhartig Gr. oiktirmoon;in ‘oi’ klinkt de klacht door), zoals jullie Vader barmhartig is. Daarbij is de voorstelling, dat God het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mattheus 5:45) – hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. (Lucas 6:35). Dat beeld van God is een spiegel voor ons: Vanuit de ervaring dat er naar je geluisterd wordt als je het verprutst hebt of in de problemen zit, word je opgeroepen om mee te leven met wie jij ontmoet, ook met wie je niet mag. Dan ben je kind van de Allerhoogste. En dat geldt ook voor alles wat je in je leven aan mooie en fijne dingen toevalt: Wees je eens bewust van wat jou gegeven wordt aan rijkdom en geluk – het is als een maatbeker met een kop erop, zo royaal. Als jou dàt ten deel valt, zou je dat dan ook niet van harte aan een ander gunnen? God, die wij niet kennen, wordt getekend als bron van het goede, zelfs naar kwaadwilligen toe, om ons ertoe aan te zetten om zelf goed te zijn.

Dat is natuurlijk niet eenvoudig. En daarover gaat het volgende gedeelte: hoe gaan wij om met die aandrift in ons om te oordelen, te veroordelen en maar niet los te kunnen laten? Ook hier wijst Jezus steeds op God: hij is als een goede vader die ons niet oordeelt, maar nieuwe ruimte geeft, Hij velt geen vonnis, maar spreekt vrij. Hij rekent het negatieve niet toe, maar laat onze misstappen en dwalingen los. Zo beeldt Jezus God uit. Met het oog op ons leven: Als je zelf die ruimte ervaart, gun het dan ook een ander. En bedenk bij dat alles: het is zo gemakkelijk om te zien waar anderen de mist ingaan. Maar ken je jezelf? Ondanks de balk voor ons eigen oog, weten wij soms toch de splinter in het oog van de ander te vinden.

Jezus plaatst ons voor een grote uitdaging: boven ons ‘ik’ uit te stijgen en te zien hoe gemakkelijk wij tegen de ander zeggen: dat was fout, het is je eigen schuld, je moet het anders aanpakken… Hoe moeilijk is het om niet te oordelen of te veroordelen. En nog lastiger is het om vergeven. Vergeef, dan zal je vergeven worden – hebben we gelezen (Lucas 6:37). Zoiets kun je misschien van God veronderstellen, maar hoe doen wij dat in de hardheid van het leven? Als je tot in het diepst van je ziel geraakt bent door wat iemand tegen je zei, als je jarenlang lijdt omdat iemand je zomaar in de steek gelaten heeft, hoe kun je dan vergeven? Als het meest waardevolle je afgenomen werd, of wanneer mensen je niet respecteerden of niet zagen staan – hoe kun je dan vergeving opbrengen? Laat ik allereerst zeggen, dat het woord dat hier met ‘vergeven’ vertaald wordt (Gr. apo-luoo), misschien beter vertaald kan worden met ‘loslaten’ (zoals in de NBG-vertaling, 1951). Ook dat is al moeilijk, maar het is nog iets anders dan dat je iemand niets meer kwalijk zou nemen. Dat laatste is soms teveel gevraagd – en het vergeten al helemaal. Het geheugen laat zich niet zomaar wissen. Maar ‘loslaten’ kan misschien toch – tot op zekere hoogte. Proberen los te komen van de pijn van vroeger of van de pijn die blijft, voor jezelf en voor die ander. Jezus geeft ons een beeld van God als Vader die geen vonnis velt en die helpt om los te laten wat verkeerd ging.

Geloven is niet: alles over God en Jezus weten of je vastklampen aan een aantal leerstellingen. Geloven is allereerst: doen. Het heeft te maken met onze houding en opstelling, ons zoeken naar rechtvaardigheid en eerlijkheid, onze droom van een samenleving waarin iedereen kansen heeft en zorg ervaart. En God verschijnt ons in de gestalte van een Vader die geraakt is door het hulpgeroep, die barmhartig is en liefdevol.

En tenslotte zegt Jezus ons: je bent er niet als je al die dingen alleen maar aanhoort, het gaat om het ‘doen’. En dan vertelt hij de gelijkenis van het ene huis dat op het zand gebouwd werd en instortte en het andere huis dat op de rots gebouwd werd en bleef staan in storm en regen. Wij kennen het verhaal en zijn geneigd te denken: Het huis dat blijft staan gaat over wie op God vertrouwt en het huis dat instort gaat over wie niet in God gelooft. Maar het blijkt anders te zijn. Jezus bedoelt: als je met mijn woorden niets doet, ben je als een huis dat op zand gebouwd is, maar als je ermee aan de slag gaat, zul je merken dat het werkt: je huis is gefundeerd op een rots. Aan ons is het om er in alle bescheidenheid iets van waar te maken: Geven, zoals wij zelf de rijkdom van het leven als geschenk ervaren, het oordeel opschorten, omdat wij zelf ondervinden hoe het is als iemand je niet veroordeelt, loslaten omdat je zelf ervaart hoe bevrijdend het is als er weer een open toekomst voor je ligt.

Het kwaad ontmaskerd…

Preek over Esther 5-8

Inleiding

Inleiding

Onze media geven ons een schat aan informatie, maar brengen ons ook op dwaalsporen. Het is een grote uitdaging om zorgvuldig na te gaan: wat is betrouwbaar, wat is nepnieuws? Het verhaal van Esther laat ons zien hoe koning Ahasveros zich liet meevoeren door de sluwe vernietigingsplannen van Haman en hoe het kwaad nauwelijks nog te keren was. Jezus waarschuwt ons de behoedzaamheid van een slang te hebben, maar ook de onbevangenheid van een duif te behouden.  

Preek

Wat is waarheid en wat is nepnieuws? Daar kom je bijna niet uit. Probeert het Chinese IT-bedrijf Huawei in de westerse wereld achter allerlei staatgeheimen te komen, of is dat bangmakerij uit Amerika? Is Poetin een grote bedreiging uit het oosten, of is die voorstelling van zaken alleen maar een argument om in het westen de bewapening op te schroeven? Niet iedereen die met zogenaamde overtuigende bewijzen aankomt heeft gelijk. In 2003 begon de Iraakoorlog vanuit de gedachte dat er massavernietigingswapens in Irak zouden zijn, maar die werden nooit gevonden. Berustte het op nepnieuws? Lang daarvoor, in 1936 (N.B. niet aan de vooravond van de oorlog), namen de politieke spanningen in Duitsland toe. Colijn sprak de mensen hier geruststellend toe: ‘Ik verzoek den luisteraars dan ook om wanneer ze straks hunne legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen’ Was dat nu een naïeve geruststelling?

Wat is waarheid en wat is nepnieuws. Dat kan gaan over alles: het klimaat, seksueel misbruik, racisme en antisemitisme, de positie van vluchtelingen in kampen, de zorg in Nederland. En het moeilijke is: daar waar beweerd wordt: het valt wel mee, is de toestand wel eens erger dan je denkt. Maar omgekeerd worden dingen ook wel eens heel heftig en te bedreigend voorgesteld, terwijl het niet zo’n vaart loopt. Hoe blijf je kritisch? Steeds weer kun je je afvragen: zijn we te goedgelovig en laten we ons opzwepen door politieke schreeuwers en manipulerende berichtgeving op internet. Dan roepen we ongefundeerd mee, dat het een schande is. Of zijn we, omgekeerd, naïef: en weigeren we onder ogen te zien hoe bedreigend of schrijnend situaties zijn – uit gemakzucht of om ons te weren tegen een ongemakkelijke waarheid.

In Perzië, zo’n tweeënhalf duizend jaar geleden was het al niet anders. Aan het hof van Ahasveros was er ook toen voortdurende onzekerheid. Als koning had je bewakers nodig tegen vijanden die het op de troon gemunt hadden. Maar juist als je dacht eerlijke wachters om je heen te hebben, kon zomaar weer blijken, dat ze een aanslag op je beraamd hadden. Als je een gebied bestuurt van India tot Nubië, 127 gewesten, dan kan er ook overal gevaar loeren. Gelukkig heeft Ahasveros veel goede raadgevers. Een van de meest wijze bestuurders is wel Haman. Die doorziet tenminste de gevaren van dat vreemde volk van de Joden, dat zich genesteld heeft tussen al die andere bevolkingen en dat zich niet houdt aan de wetten van de koning. Zo kan de vrede en rust gehandhaafd worden in zijn rijk.

Het is die nepvoorstelling van de werkelijkheid, waarmee Ahasveros zichzelf zand in de ogen laat strooien. En de aanstichter van de gedachte, dat de Joden het kwaad zijn, is Haman. Het verhaal van vanmorgen laat op een heel subtiele manier zien hoe de nepwaarheid van Haman laagje voor laagje weggenomen wordt. Totdat de verschrikkelijke ontmaskering plaatsvindt van Haman de schurk. In detail zien we de drijfveren en motieven voor ons waardoor \Haman zich laat leiden: zijn trots op zijn hoge positie en op zijn tien zonen. Zijn eerzucht en hoe hij gekrengd is als Mordechai niet voor hem buigt. Daarmee ook zijn minachting voor God, de enige aan wie die eer toekomt. Maar vooral komt aan het licht hoe destructief mensen kunnen worden als ze geraakt worden in hun ijdelheid: Haman zegt: Het is mooi dat ik rijk en vooraanstaand ben, maar dat alles wordt overschaduwd door Mordechai. Dus hij moet dood. En Haman laat een paal van 25 meter oprichten om degene op te hangen die hij niet verdraagt. Aan de andere kant zien we Mordechai en Esther staan. Zij zijn de slachtoffers van de waanvoorstellingen van Haman. Mordechai krijgt dan wel koninklijke eer van Ahasveros, maar hij heeft er niets aan, want zijn lot lijkt getekend. Hij en zijn hele volk zullen worden vernietigd. Aangrijpend is wat Esther zegt: ‘We zijn verkocht, mijn volk en ik, om gedood te worden en volledig te worden uitgeroeid. Als we waren verkocht als slaven en slavinnen, dan zou ik hebben gezwegen, want zo’n ramp zou de belangen van de koning niet schaden.’ Misschien bedoelt ze: slaaf zijn zou jammer zijn voor ons, maar voor u als koning maakt dat niet zoveel uit. Daar zou ik u niet mee lastig gevallen hebben. Maar deze afslachting en vernietiging is rampzalig voor mij, voor mijn volk, voor u, voor stabiliteit van uw rijk. Het tast alle menselijkheid aan. Hier wordt het verborgen kwaad volledig ontmaskerd.

Ahasveros is woest: om de manier waarop hij bedrogen is. En juist zijn vertrouweling Haman bleek de grote bedrieger. Zijn beleid, waar Ahasveros zó in geloofde, bleek verborgen agressie. Doortrapt spel van een narcist. En de slinksheid ging nog door ook. Zag hij het goed…? daar op die die bank…? werd Esther nu ook nog aangerand? En dan – tot overmaat van ramp – komt kamerdienaar Charbona naar Ahasveros toegerend. En hij roept: ‘Koning, Haman heeft een paal van 25 meter bij zijn huis laten zetten voor Mordechai.’ – ‘Hang hem daar zelf aan op!’ beveelt Ahasveros. En zo gebeurt het. En alle bezittingen van Haman gaan naar… Mordechai.

Een aangrijpend verhaal over bedrog en ontmaskering. Het maakt je er ook van bewust, dat het kwaad overal kan loeren. Dat gold ook in de tijd van Jezus en in de periode van de eerste christengemeenten. En het geldt voor ons. De vraag is: moet je nu alles als zwart en zondig en bedreigend gaan zien? Daarmee help je jezelf en de ander niet. Maar als je van niets inziet dat het gevaarlijk of riskant is, dan loop je met open ogen de vernieling in. Jezus houdt aan zijn leerlingen voor: Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig (Gr. fronimos – verstandig, bezonnen) als een slang, maar behoud de onschuld (Gr. a-keraios – louter, vrij van list)  van een duif. Dat is een opgave, ook in de gewone omgang met elkaar. Aan de ene kant open en argeloos zijn, maar aan de andere kant: gespitst en op je hoede. Beide hebben hun waarde, maar als je argeloos als een duif wilt zijn en tegelijk arglistig als een slang, geeft ook een spanning in jezelf.

De duif staat voor: de open houding. Dat grenst soms aan het naïeve (van Lat. nativus), een woord dat letterlijk (pas-)geboren betekent. Het is dus: als een kind, ongekunsteld eenvoudig. Juist door die ontvankelijke houding die zich niet van het kwaad bewust is, kun je heel dicht bij anderen komen, want je bedreigt die ander niet. Je maakt geen plannen hoe je de ander te lijf zult gaan, maar stelt je kwetsbaar en weerloos op. Zo kun je je echt aan elkaar verbinden. Toch zegt Jezus ook: hoed je! Wees je wel bewust van de gewiekstheid of doortraptheid van die ander! Bescherm jezelf tegen wie het op je gemunt hebben, tegen boosaardige mensen en slinkse streken! Ahasveros moest door schade en schande onderkennen dat er een bloedbad dreigde in zijn rijk. En de leerlingen van Jezus werden voor het gerecht gesleept. Maar als dat gebeurt, zegt Jezus, wees dan niet bang: er zal je ingegeven worden wat je moet zeggen.

Het verhaal van Esther is nog altijd actueel. Het is een spiegel voor ons leven: Het schildert in oosterse verhaaltrant de dreigingen die zich in ieders leven kunnen voordoen. Op internet zag ik een filmpje van Joden die Poerim vierden, het feest waarin het verhaal van Esther centraal staat. Het is haast een carnavalsfeest waarop gevierd wordt dat Haman het niet gewonnen heeft. Bij die gelegenheid werd de feestvierders gevraagd naar de betekenis van het verhaal in deze tijd. Ze zeiden: we zijn nu vrolijk, maar we moeten nog altijd op onze hoede zijn. En zij noemden mensen op uit hun eigen omgeving, die nu oproepen tot haat en geweld. Haman leeft nog steeds.  

Hoe zullen wij open zijn naar de toekomst, argeloos, onbevangen gericht op de mensen naast ons, met vertrouwen in beleidsmakers, en politici? Want door de onschuld van duiven kun je je in overgave met elkaar verbinden. En hoe zullen wij tegelijkertijd de scherpzinnigheid houden van de slang, die altijd zijn ogen open heeft. Want bedrog en kwaadwilligheid loeren ook. Bedreigingen zijn reëel en het nepnieuwsspook waart door het internet.

Jezus leert ons om het kind-zijn niet op te geven. Ook al dringt alle gebral, dreiging, weerzin, conflict door tot je bewustzijn, bewaar toch de argeloosheid van de duif en de gezindheid van het kind. Want alleen voor wie worden als zij ligt de weg naar Gods Rijk open.

Als ik omkom, dan kom ik maar om…

Preek over Esther 4

Inleiding

Sommige mensen zijn bereid om veel voor anderen te doen. Maar je leven op het spel zetten… Dat gaat wel heel ver. Esther hoort van Mordechai, dat er geen andere weg is: Misschien ben jij hier wel koningin geworden voor deze bijzondere kans. Je kunt nu je mond opendoen, waardoor ons volk kan overleven.  Als jìj het niet doet, wie dan? Als jij het niet doet, wanneer dan wel? En Esther zet haar leven in: als ik omkom, dan kom ik om.

Indringende woorden die je tot nadenken zetten over je verantwoordelijkheid om op beslissende momenten bewust te kiezen. Want wat wij zeggen, of verzwijgen, doen of nalaten kan grote gevolgen hebben.

Preek

In het Joodse geschrift Spreuken der Vaderen staat een fascinerende uitspraak van de oude rabbijn Hillel: “Als ik er niet voor mezelf ben, wie is er dan voor mij? Als ik er alleen voor mezelf ben, wat ben ik dan? En indien niet nu, wanneer dan wel?”. Het lijkt wel een soort raadselspreuk, maar het drukt voor mij in ieder geval uit: Er zijn momenten dat ik moet opkomen voor de zaak die mij echt aan het hart ligt, of: voor rechtvaardige beslissingen. Want wie zal het anders doen. Maar als ik alleen dingen in mijn eigen belang doe, worden we er als wereld niet beter van. En soms geldt: als je niet nù de noodzakelijke stap zet, laat je de gouden kans voorbijgaan.

Ik moest hieraan denken bij het verhaal van Esther. Vandaag gaat het om een beslissingsmoment in haar leven. Twee dingen vallen daarbij op: haar grote moed om te doen wat gebeuren moet. En: hoe belangrijk het voor haar is om dan met anderen verbonden te zijn.

Als vanzelf brengt mij dat ook bij ons eigen leven. Ook daarin zijn ogenblikken dat we moeilijke beslissingen moeten nemen., al hebben ze niet zoveel impact als bij Esther en al zijn ze niet zo wereldschokkend. Maar toch besef je, dat je ook in je eigen leven soms op een tweesprong staat en dat de weg die je kiest bepalend is voor hoe iets verder zal gaan. Zul je op het moment dat het erop aankomt de moed hebben om op te treden: te zeggen wat je vindt, op het juiste moment ‘nee’ te zeggen of juist ‘ja’. Als je het niet doet zijn je kansen verspeeld. Gelukkig hangt er niet altijd zoveel af van onze keuze. Maar laten we ons niet vergissen: soms zijn ook kleine opmerkingen, een gelaatstrek of schouderbeweging beslissend voor hoe een contact verdergaat: waar het afbreekt of een nieuwe impuls krijgt. Vanmorgen gaat het over levensbeslissingen, over het besef, dat het van jou afhangt. En de druk van de verantwoordelijkheid die je dan voelt.

In het verhaal van Esther staat er veel op het spel. Wat is het geval? De Joden zijn weg uit hun land. In 587 voor Chr. zijn ze gedeporteerd naar Babel. Vandaar uit vestigen zich op zeker moment ook groepen Joden in Perzië. Tegenover die grote Perzische cultuur zijn ze kwetsbaar. Maar ze willen staande blijven. Niet alleen willen ze dat er toekomst is voor hun bedreigde groep, maar ook voor hun levenswijze, voor de Thora en voor de Eeuwige. Er staat dus heel veel op het spel.

Mordechai, de oom en pleegvader van Esther, hoort het als eerste: dat afschuwelijke bevel van de koning, dat alle Joden uitgeroeid zullen worden en het enorme geldbedrag dat Haman in de schatkist gestort heeft voor de vernietiging van het Joodse volk. Hij legt aan de Eeuwige zijn wanhoop en verdriet voor: Hij scheurt zijn kleren, teken van rouw. Dat gebruik (keria) vindt onder Joden nog steeds plaats. Als het verdriet nog niet tot je door kan dringen, maak je het al tastbaar door de scheur vanaf je hals in je kleding. Van Mordechai lezen we dat hij ook een zak aantrekt, een ruw geweven stuk stof en hij doet as op zijn hoofd. In dat alles komt zijn ontzetting naar voren. Hij is wanhopig. En toch gelooft hij, dat het einde het einde niet is. In hem leeft de onverwoestbare hoop, dat er hoe dan ook redding komt. Maar hoe?

Mordechai wil naar Esther. Maar in dit soort rouwgewaden mag hij de koningspoort niet door. Esther beseft blijkbaar, dat er iets vreselijks aan de hand is, maar ze zal nog niet geweten hebben waar het precies over gaat. Ze laat Mordechai andere kleren brengen. Maar die weigert hij. Hoe kun je vrolijke kleding aantrekken als je weet, dat je hele volk uitgeroeid wordt! Maar intussen kan Mordechai zo niet naar binnen en Esther kan blijkbaar het paleis niet uit. Ze stuurt Hatach, een van de harembewakers, naar hem toe. En hij hoort van Mordechai het hele verhaal: over de wet die uitgevaardigd is om het hele volk om te brengen, over het grote bedrag aan zilver, dat Haman in de schatkist gestort had om hen allen te doden, over de grote angst en de diepe rouw. En Mordechai voegt eraan toe: ‘Zeg maar tegen Esther: ‘Beeld je maar niet in dat jij, omdat je in het koninklijk paleis woont, als enige van alle Joden zult ontkomen. Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de Joden. Maar jij en je vaders familie komen dan om. Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.’ In die korte uitspraak wordt heel veel gezegd. Allereest wijst Mordechai op dit ene onherhaalbare moment. Het is nu of nooit. Als je nu je mond niet opendoet…

Het zal ook herkenbaar zijn voor ons: elke dag heeft wel van die kleine beslissingsmomenten: zul je iemand eens bellen, ga je op een verzoek in, reageer je op iemands gedrag en hoe dan?. Waar doe je goed aan? Wat je doet kan wel bepalend zijn voor hoe het verdergaat. En bij Esther gaat het om iets dat heel ingrijpend is: het voortbestaan van het volk, de Thora en het geloof in de Eeuwige. En in dat verband doet Mordechai in deze tekst een aantal bijzondere uitspraken: Esther, je zult niet gespaard worden, omdat je koningin bent en in het paleis woont. Bedenk wel, dat jij deel uitmaakt van ons volk. En realiseer je ook, dat redding er misschien best op een andere manier kan komen. De geschiedenis kan op allerlei manieren zijn loop hebben. Maar dit is wel je kans. Jij bent koningin. Jij kunt een keer brengen in ons lot. Misschien ben je juist daarom koningin geworden. Dat is een bijzonder gezichtspunt. Iets waar ook wij met het oog op ons leven bij stil kunnen staan. Misschien ben je in je werk, in het gezin, door je eigen kwaliteiten geroepen om iets aan te pakken. Mogelijk wordt er juist nu iets van je verwacht.

Esther begrijpt wat er van haar verlangd wordt. Maar ze is al in geen dertig dagen bij de koning geroepen. En wie zomaar op de koning afstapt, wordt gedood. Het zou om een aanslag kunnen gaan. Alleen als de koning je zijn gouden scepter zou reiken, zou je het er levend afbrengen. Esther realiseert zich: Als ik dit niet doe – voor mijzelf en mijn hele volk – wie doet het dan? En als ik het niet nù doe, wanneer dan wel. Misschien is het dan te laat. Ze gaat iets haast onmogelijks doen. En ze is zich wel bewust van het geweldige risico: als ik omkom…dan kom ik om.

Ik lees daarin berusting, maar ook vertrouwen. En misschien heeft het haar ook een innerlijke vrede gegeven: het is goed dat ik mijn leven hiervoor inzet. Ik moet daarbij ook denken aan de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Hij had zich tijdens de tweede wereldoorlog ingezet voor de kerk die haar mond durfde opendoen tegen de vernietigende macht de Nazi’s en dat zou hem uiteindelijk het leven kosten. Toch zegt hij: Misschien is er geen gevoel dat groter geluk geeft dan dat men voor andere mensen iets kan betekenen.

In diezelfde tijd verbleef de Nederlandse Jodin Etty Hillesum samen met veel lotgenoten in kamp Westerbork, vanwaar ze uiteindelijk overgebracht werd naar Auschwitz. Ze schrijft: ‘s Nachts, als ik daar zo lag op mijn brits, te midden van zachtjes snurkende, hardop dromende, stilletjes huilende en woelende vrouwen en meisjes…dan was ik soms van een eindeloze vertedering en lag wakker en liet de gebeurtenissen langs me passeren en dacht: ‘laat mij het denkende hart van deze barak mogen zijn’. Ik zou het denkende hart van een heel concentratiekamp willen zijn.

Dat brengt ons opnieuw bij Esther. Haar moedige daad doet ze niet los van de mensen om haar heen, maar juist verbonden en gesteund door hen. Heel concreet vraagt zij: Roep alle Joden die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ‘s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. Het is juist die gezamenlijkheid die je helpt om het haast onmogelijke te doen. Want dan ben je het denkend hart van al die anderen die bij je zijn.

Er is geen grotere liefde, dan je leven te geven voor je vrienden, zei Jezus. Hij liet zien hoever liefde en inzet kunnen gaan. Esther ging die weg op haar manier: ze kwam moedig op voor haar bedreigde volk. Mensen met moed veranderen de wereld. Ze zijn een spiegel voor ons leven. Ze dagen ons uit om ons bewust te zijn van al die keuzemomenten in ons eigen leven: je bent niet machteloos. Er is iets van je te verwachten. Ook door wat jij doet en bedenkt, kunnen zaken een keer nemen. Ga, doe wat je doet in moed en vertrouwen. En vooral: verbind je met anderen: want juist door elkaar steun en hoop te geven, ga je dreiging en negativiteit te lijf. En waar wij mensen de moed hebben in te gaan tegen wat onmogelijk lijkt, daar ontdekken we weer uitzicht en toekomst.

Weg met hen…

peek over Esther 1-3

Inleiding

Je komt het weer tegen in spreekkoren bij voetbalwedstrijden en bij winkels die aangevallen worden: antisemitisme. De geschiedenis herhaalt zich telkens. Is het jaloezie om wat joodse gemeenschappen en individuen wisten te bereiken? Of kunnen samenlevingen altijd moeilijk omgaan met minderheden die een afwijkende manier van leven hebben. Het sprookjesachtige, oosterse verhaal van Esther confronteert ons met de harde strijd en het bittere verdriet van de Joden door de eeuwen heen. Maar ook met hun moed en overwinningskracht. En het laat ons nadenken over de waarde van minderheden en van het schijnbaar onbetekenende leven, dat je niet kunt missen om het voortbestaan op onze aarde mogelijk te maken.

Preek

Wat leren wij van de geschiedenis? Soms denk je: Niet zoveel. Ruim een halve eeuw geleden werden miljoenen Joden omgebracht in de tweede wereldoorlog. En kort gleden hoor ik twee onderzoekers bij het tv-programma Jinek spreken over het opnieuw oplaaiende antisemitisme. Waar komt het vandaan? – werd gevraagd. Uit extreemrechtse hoek, uit extreem-linkse hoek en van de kant van de fanatieke Islam. Tijdens voetbalwedstrijden komt het naar voren in spreekkoren, maar de wedstrijd wordt niet stilgelegd. Een joodse winkel wordt verschillende keren door geweld getroffen, maar de politie zegt: we kunnen niet bewijzen dat antisemitisme het motief was. Joden in Frankrijk, in andere Europese landen, ook in Nederland voelen zich erg bedreigd. Hoe kan dit gebeuren? kun je je afvragen. Waarom juist zij? Is het jaloezie? Joden hebben vaak iets laten zien van bijzondere prestaties en vaardigheden: op wetenschappelijk, cultureel en economisch gebied. Ze wisten zich in de handel op te werken, diamantverkoop, hoge posities in de bankwereld. Er zijn uitstekende Joodse musici en er is zelfs een Joodse muziekcultuur, de Klezmer muziek. Veel Nobelprijswinnaars waren Joden. Misschien roept dat collectieve minderwaardigheidsgevoelens op en agressie.

Duizenden jaren lang zijn de Joden al verspreid onder de volken. Een minderheid met bijzondere kwaliteiten. Soms werden ze daarom bewonderd, meestal riep het haat en vervolging op. Zo is het de eeuwendoor gegaan: in Babel, in Perzië, in het Romeinse Rijk, in Europa. De Joden waren een kwetsbare minderheid, maar ze vormden wel een parel met een eigen schoonheid in al die vreemde culturen, een geschiedenis lang. En je kunt je dus afvragen: hoe komt het toch, dat mensen steeds weer de neiging hebben om weerloze minderheden en alles wat klein is en weinig macht heeft te onderschatten?

Daarbij moet ik ook denken aan wat ik in een radioprogramma hoorde over de biodiversiteit. Alex van Hooff, de directeur van Burger’s Zoo, uitte hierover zijn zorg. Door de massale uitstoot van CO2 en andere aantasting van het milieu, wordt de geweldige rijkdom die wij hebben aan planten en dieren bedreigd. Natuurlijk de grote en sterke soorten zullen het wel redden, maar heel veel zwakkere soorten zouden weleens verloren kunnen gaan. En als dat zou gebeuren is dat dramatisch. Want ook allerlei kleine plantjes en minuscule diertjes hebben hun eigen plek ik het grote ecosysteem. Als je ze geen kans meer geeft, raakt het hele bestel ontwricht. Alex van Hoof voegde nog wel één hoopvolle opmerking aan zijn betoog toe: Als je zo nonchalant met de rijkdom van de natuur omgaat, kost het je op den duur heel veel geld. En dáár zijn mensen gevoelig voor. Daarom gaan banken en pensioenfondsen zich nu met de biodiversiteit bezighouden.

Dit betoog zette mij tot nadenken: natuurlijk allereerst over de waarde van alle nietige organismen die het leven ondersteunen, maar ook over de betekenis van culturele en religieuze minderheden in de samenleving. Laten we ze koesteren. En het zegt mij tenslotte: ieder mens heeft zijn eigen kracht, schoonheid en waarde. Allemaal zijn wij onmisbare schakeltjes in de grote wereld, een rijkdom die we niet mogen verliezen.

Laten we in gedachte teruggaan naar de lange geschiedenis van de Joden die zo vaak verdreven werden, verspreid onder honderden volken. Ervaren als last en gevaar. De grote klap voor het Joodse volk was in 587 voor Christus, toen de tempel in Jeruzalem verwoest werd en grote delen van de bevolking gedeporteerd werden naar Babylonië. Dramatisch! Maar er ontstaat een wonderlijk tegenmechanisme. Daar waar je het kleine kapot wilt maken – en dat wilde men – wordt het krachtiger. Ze zaten aan de rivieren van Babel. Hun bewakers zeiden cynisch: Zing nog eens die mooie liedjes over Jeruzalem. We lezen erover in Psalm 137. Maar hoe zouden ze dat kunnen?  Als je je zo kleingemaakt en onbetekenend voelt, kun je niet zingen. Toch groeit er in hen verzet en verlangen: we zullen het nooit opgeven! En het is wonderlijk: maar juist in die die tijd van de ballingschap zijn de belangrijkste geschriften van het Oude Testament geschreven of samengesteld.  Het werd een heel creatieve periode. Uiteindelijk mochten de ballingen terugkeren naar Jeruzalem. Een heel aantal deed dat ook, maar sommigen bleven in Babel. Een van de grote bijbelcommentaren van de Joden werd dan ook in later tijd in Babylonië geschreven: de Babylonische Talmoed. Maar de diaspora, uitwaaiering over de wereld, gaat nog verder: er vestigden zich ook Joden in Perzië. Zo ging er een groep Joden wonen bij de burcht Susa. Een van hen heette Mordechai. Hij leefde er met zijn nichtje Esther. Eigenlijk had zij de Joodse naam Hadassa, wat Mirte betekent, een prachtige groene plant. Maar ze kreeg de Perzische naam Esther, wat ‘Ster’ betekent. En stralend was ze: een mooi en moedig meisje. Een fonkelend sterretje.

Er gebeurde in die tijd iets wonderlijks in het koninklijk paleis. Het zou in onze tijd van vrouwenemancipatie, in onze samenleving, niet meer kunnen. Koning Ahasveros had veel te veel wijn gehad en in een dronken bui gaf hij zijn dienaren de opdracht: haal mijn vrouw Wasti op. Laat ze haar mooiste kroon opzetten. Ik wil aan alle politici en landsbestuurders laten zien hoe prachtig zij is. In die tijd kon een koning zoiets zeggen. Maar koningin Wasti dacht: ik ben niet gek. Dat doe ik gewoon niet! En ze weigerde te komen. Wat nu? Vroeg Ahasveros aan zijn adviseur Memuchan. Tsja, zei Memuchan, als alle vrouwen van onze bestuurders dit horen, dan zullen ze ook geen enkel respect meer tonen voor hun echtgenoten. U kunt het best koningin Wasti afzetten en een nieuwe koningin kiezen.’ En zo gebeurde het. Er kwamen veel jonge vrouwen naar het hof en er vond een Miss Perzië verkiezing plaats. Esther was de mooiste kandidaat in de ogen van de koning. En zo werd zij de nieuwe koningin.

Oom Mordechai zal haar wel gefeliciteerd hebben, maar hij waarschuwde haar ook: ‘Als Ahasveros naar je afkomst vraagt, zeg dan niet dat je Jodin bent. Wij Joden lopen gevaar.’

Kort daarna gebeurde er iets ingrijpends op het paleis. Mordechai zat in de poort en hij hoorde twee lijfwachten met elkaar smoezen. En het drong direct tot hem door: hier werd een aanslag beraamd op de koning. Mordechai sloeg direct alarm. En het leven van de koning werd gered. Het werd gelukkig allemaal opgeschreven in het dagboek van de koning en dat zou later heel belangrijk blijken.

In het paleis liep een belangrijke bestuurder rond: Haman. Men beweert wel dat hij nog afstamde van Agag, de koning van het volk Amelek. Dat was het volk dat ooit de Joden in de woestijn in de rug aanviel, daar waar de vrouwen, kinderen en ouderen liepen. (Deuteronomium 25:17-19). Doortrapt! Agag was uiteindelijk door Samuel terechtgesteld. (1 Samuel 15:33) Dat was lang geleden. Maar wie weet hoe zulke dingen nog doorwerken. Hoe dan ook. Haman maakte vaak een rijtoer door de stad en iedereen boog diep voor hem. Behalve… Mordechai. Want Joden buigen alleen voor de Eeuwige. Haman werd kwader en kwader. Waarom buigt hij niet voor mij? Toen hoorde hij, dat Mordechai een Jood was. Er kwamen zwarte gevoelens in zijn geest op. Hij zou hem krijgen en heel dat Joodse volk. ‘Koning Ahasversos’, zei hij, ‘er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet. Geef een bevel dat ze uitgeroeid worden. Dan stort ik 10.000 zilverstukken in de schatkist.’ En de naïeve koning Ahasveros zei: ‘Ga je gang. Dat geld is van jou. Doe maar met dat volk wat je wilt.’

Het verhaal gaat verder. Maar hier komt al het drama naar voren, dat zich de eeuwen door voltrokken heeft: Een volk verspreid onder vele volken wilde anders zijn, de Thora van de Eeuwige naleven. Maar het mocht er niet zijn. Wat ze in te brengen hadden, werd niet erkend als waardevol voor allen. Maar ze lieten het er niet bij zitten, zoals nog in het verhaal zal blijken.

Dit verhaal is nog steeds actueel. Het zegt ons: je ondermijnt de samenleving als je geen ruimte geeft aan wat minderheden aan menselijkheid en inzicht te geven hebben: sociaal, cultureel, ook economisch. En je ondermijnt het leven, wanneer je vergeet, dat het pas kan bestaan in zijn diversiteit en dat nietige beestjes en plantjes het leven van andere organismen mogelijk maken. Je kun ze niet ongestraft dood laten gaan. En dat geldt ook voor afzonderlijke mensen: iedere persoon heeft zijn eigen waarde.

In het boek Openbaring wordt de kerk van Filadelfia toegesproken. De naam is veelzeggend: Fil-adelfia betekent broederliefde, zusterliefde. Er wordt gezegd: jullie hebben niet veel invloed, maar je laat wel trouw zien. En daarom zul je een zuil zijn in de tempel van God. Dat is hoopvol: dan zal je betekenis en je kracht blijken. Dan zal aan het licht komen hoe waardevol je bent, als minderheid, als volk of groep, als mens.