De Schepping
Inleiding
Over het onderwerp ‘Schepping’ is al heel wat gediscussieerd. Vaak werd alles op de vraag toegespitst: moeten we nu geloven wat de wetenschap ons voorhoudt – de leer van de evolutie – of moeten we geloven wat de bijbel ons zegt: de wereld is door God geschapen. Eindeloze discussies waren het en vaak weinig vruchtbaar. Natuurwetenschap en geloof in God werden ook op een wat wonderlijke manier dooreen gemengd: Wie de biologische theorie van de evolutie van het leven aanhing, werd soms als ongelovig bestempeld en wie geloofde dat God schepper is van alles wat is werd als iemand beschouwd die onwetenschappelijk denkt. Er werd op deze manier een schijntegenstelling gekweekt die voor veel mensen pijnlijk was. Gelukkig is men steeds meer tot het inzicht gekomen, dat er geen werkelijke tegenstelling hoeft te zijn; dat schepping en evolutie elkaar niet hoeven uit te sluiten. Het zijn namelijk zaken die je niet met elkaar mag vergelijken: het gaat om twee heel verschillende benaderingswijzen van onze wereld: het scheppingsverhaal is geschreven door mensen die wilden spreken over een God van bevrijding die alle dingen goed gemaakt heeft en die wil dat de mens binnen die geschapen werkelijkheid tot zijn recht komt. De evolutietheorie is opgesteld en verder ontwikkeld door mensen die een samenhang probeerden te ontdekken tussen allerlei verschijnselen die ze in de natuur waarnamen. Die benaderingswijzen bijten elkaar niet: een bioloog die de evolutietheorie aanhangt kan niet zeggen, dat de bijbelschrijvers ongelijk hebben, evenmin als een fotograaf kan zeggen, dat een schilder de dingen om zich heen verkeerd schildert en evenmin als een natuurkundige kan zeggen, dat een dichter die schrijft over de zonsondergang de werkelijkheid verkeerd beschrijft.
Het scheppingsverhaal wil een kant van de werkelijkheid beschrijven: juist niet de natuurkundige kant, maar de kant van laten we zeggen – de “menselijke waarden”; het zegt iets over mensen die vragen naar de grond van hun bestaan en de zin van de wereld om hen heen en de plaats van God in dit alles.
Wanneer we het hebben over schepping, dan gaat het in dit verband om die laatstgenoemde kant. We kunnen dan drie vragen stellen:
-Wat zegt de bijbel nu precies over schepping?
-Wat is de betekenis geweest van die bijbelwoorden over schepping in de tijd dat ze opgeschreven werden?
-Wat kunnen deze woorden nu voor ons nog betekenen?
Allereerst de vraag: Wat zegt de bijbel over schepping? Het onderwerp komt ter sprake in: Gen.1; Gen.2; Jes.51:9vv; Job 26:10vv; Ps.74:13v; Ps.89:10vv; Ps.104:7; Job 38:8-10; Job 7:12; vgl. ook Ps.8 1.
Vraqen:
Hoeveel scheppingsverhalen kennen we uit de bijbel? (Gen.1/2)
Waarom twee verhalen?
Welke verschillen kunnen we waarnemen?
Vanwaar die verschillen? Zou het hier om verschillende bijbelschrijvers gaan?
Wat moeten we op grond daarvan
zeggen over het tot stand komen van de bijbel?
1. Het tot stand komen van de bijbel (met name de Pentateuch).
We staan dus allereerst voor de vraag: Hoe is de bijbel tot stand gekomen? Waar komen die verschillende verhalen in Genesis vandaan? Vroeger meende men, dat de eerste vijf boeken van de bijbel door Mozes waren geschreven: God had ze hem als het ware gedicteerd. Nu stuitte men bij nadere bestudering wel op een probleem: Op een bepaald moment wordt de dood van Mozes beschreven en de periode daarna. Dat gedeelte kon toch moeilijk door Mozes geschreven zijn. Bovendien ontdekte men, dat de verhalen en voorschriften soms heel verschillend. van karakter waren. Sommige verhalen komen vaker voor, met kleine verschillen. Het lijkt ook wel eens of twee verhalen helemaal in elkaar geweven zijn. Soms wordt een verhaal van commentaar voorzien.
Zo kwam men tot de gedachte, dat we in de bijbel te maken hebben met verhalen uit verschillende tijden, geschreven door verschillende mensen of groepen mensen. Die verhalen werden in later tijd verzameld en geordend door een soort redactie. Misschien te vergelijken met de redactie van een krant die ook een ordening aanbrengt allerlei materiaal dat aangeboden wordt. We kunnen ook denken aan de redactie van het “Liedboek voor de kerken”: Zowerden liederen uit alle tijden opgenomen: vroegchristelijke liederen, gezangen uit de middeleeuwen, uit de tijd van de reformatie en later en ook uit onze tijd. Maar de liederen werden niet in tijdsvolgorde opgenomen, maar geordend naar thema: alle Paasliederen, kerstliederen, doopliederen enz. bij elkaar.
Iets dergelijks kan gebeurd zijn bij – laten we zeggen – de “redactie van de bijbel”. Voorschriften werden bij elkaar gezet. Verhalen waar verschillende versies van bestonden werden samengevoegd. Scheppingsverhalen werden bij elkaar gezet en aan het begin van de bijbel geplaatst: Want met schepping moet het toch allemaal begonnen zijn.
Dat wil niet zeggen, dat de scheppingsverhalen ook het eerst geschreven werden. Vooral het scheppingsverhaal uit Genesis 1 is tamelijk jong. Er bestonden al lang andere verhalen en liederen: bijvoorbeeld: het al heel oude lied van de profetes Debora, het lied van Mirjam na de doortocht door de Schelfzee. Maar ook het verhaal van de roeping van Abraham en het verhaal van de bevrijding uit Egypte zijn ouder dan het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Eerst wordt er geschreven over wat mensen van God ervaren hebben: een God die wegroept en bevrijdt. Van die God wordt vervolgens gezegd, dat Hij de God van hemel en aarde is, dat alles door Hem gemaakt is en dat Hij alles zijn plaats toegewezen heeft. Hij heeft alle dingen goed gemaakt en wil, dat ze tot heil van de mens dienen. Aan de mens geeft Hij een bijzondere positie en verantwoordelijkheid: hij mag de wereld bebouwen en bewaren en heersen over de dieren.
2.Bijbelschrijvers
Wie zijn nu de schrijver geweest van de eerste vijf bijbelboeken? Dat is een lange en ingewikkelde,
materie waarvan we nu maar enkele dingen naar voren kunnen halen.
Allereerst is er een belangrijk auteur geweest, die omstreeks 930 voor Christus leefde in Juda. -In die tijd was Salomo daar koning. Deze schrijver heeft veel verhalen verzameld die tot dan toe mondeling overgeleverd werden. (Als hij over God spreekt gebruikt hij steeds de eigennaam voor God: de HERE (= JHWH, Jahwe) We noemen hen daarom de Jahwist, afgekort: J. Van hem zijn o.a. een aantal verhalen over de aartsvaders afkomstig, maar ook het scheppingsverhaal uit Genesis 2.
Enkele eeuwen later leefde er in het Noordrijk van Israël een auteur of een groep auteurs die ook hun verhalen toevoegden aan de bestaande bijbelse verhalen. Zij spreken niet over de “HERE”, zoals de schrijver in de tijd van Salomo, maar over “God” (Elohim); we noemen deze schrijver(s) de Elohist, afgekort E.
Dan zijn er tenslotte nog de priesters die hun bijdragen leverden aan de eerste vijf bijbelboeken. Allerlei wetten over hoe de dienst in de tempel plaats moest vinden en hoe men zich moest reinigen en welke offers men moest brengen zijn van de priesters afkomstig. Zij hebben vooral een rol gespeeld in de Babylonische ballingschap, toen zij alle bijbelverhalen en verordeningen die er in omloop waren nog eens opnieuw rangschikten en er hun eigen verhaal aan toevoegden. Van deze priesters (afgekort: P) is ook het scheppingsverhaal uit Genesis 1 afkomstig.
Het scheppingsverhaal van de priesters. Genesis 1.
In de 6e eeuw voor Christus woonde het grootste gedeelte van de Judeeërs niet in hun eigen land Juda, rondom Jeruzalem maar in het tweestromenland Mesopotamië, rondom de stad Babylon. Ze waren daar niet vrijwillig, maar in ballingschap, de zg. “Babylonische ballingschap”. Ze moesten maar steeds terugdenken aan hun mooie stad Jeruzalem en hun heilige tempel die in 586 door de Babyloniërs verwoest was. Ze begonnen ook aan hun God te twijfelen. Was die God van hun voorouders vergeten, dat Hij hun een land beloofd had? Had Hij de Babyloniërs niet tegen kunnen houden?
Ondertussen maakte de godsdienst van de Babyloniërs op de Joden grote indruk. De mensen vertelden elkaar het verhaal van Mardoek, die Tiamat bestreed.
Mardoek was de hoofdgod van Babel. Hij leverde in het begin van de oertijd een gevecht tegen Tiamat. Tiamat was een godin, of liever: een afgrijselijk gedrocht, zoiets als een draak die woonde in de zee; ze bestuurde alle duistere, chaotische machten. Ze was thuis in de nacht en in de zwarte alomvattende dreiging van de zeediepte. Hoog boven de duistere diepte leefden de lichtgoden, maar zij liepen gevaar tegen Tiamat het onderspit te delven. Dus vocht Mardoek tegen Tiamat, versloeg haar, kliefde haar in twee delen en vormde uit de ene helft van haar lijf het hemelgewelf, uit de andere de aardbodem. Haar helpers, de demonische tussenmachten tussen duisternis en licht, wees hij elk een plaats toe aan de hemel en maakte hen tot sterrengoden.
De overwinning van Mardoek over Tiamat, het woeste water, werd volgens de Babyloniërs ieder jaar door de natuur uitgebeeld. Aar het einde van de winter waren er in het Tweestromenland altijd enorme overstromingen. Al het vruchtbare land veranderde dan in een gewelddadige, kolkende watermassa. In het voorjaar greep Mardoek echter in. Hij spleet het water en dreef het uit elkaar: dan werd het droge land weer zichtbaar en was menselijk leven weel mogelijk. Dan vierden de mensen feest ter ere van deze herscheppende god. In de optochten werden nu ook de heiligdommen uit de tempel van Jeruzalem meegevoerd. En de Joodse ballingen zullen zich wanhopig afgevraagd hebben: Wie is nu eigenlijk Heer: God of Mardoek?
In die situatie brengen de priesters onder woorden bij wie de macht werkelijk ligt: niet bij de godin van het woeste water, want het water is niet goddelijk. Maar de onzichtbare God stelt wèl de grenzen tussen water en land. De macht ligt evenmin bij de sterrengoden. Volgens de Babyloniërs bepaalde de loop van de sterren wat er op aarde gebeurde. Nee, zeggen de priesters: de onzichtbare God heeft zon, maan en sterren als lampen aan het hemelgewelf gehangen.
Bij dit alles nemen de priesters wel het wereldbeeld van hun tijd over – hoe zou dat ook anders kunnen? De aarde stelde men zich voor als een schijf die op de oerzee dreef. Ze werd overwelfd door een glinsterende koepel. Boven die koepel was opnieuw water: de hemeloceaan (waarom zou de hemel anders blauw zijn?); tegen de binnenwand, in de lucht- en leef ruimte van de mensen, schoven de sterren over de koepel.
In de koepel bevonden zich sluizen waardoor het hemelwater op de aarde kon vallen. Onder de aarde bevond zich het dodenrijk. De aarde had haar plaats op de oerzee, maar stond uiteindelijk op zuilen.

De Joden nemen dit wereldbeeld over, maar overigens is hun voorstelling van zaken één groot protest tegen de Babylonische opvattingen. Want zij weigeren te geloven in een wereld die ontstaan is door een godenstrijd en waarin allerlei machten in de kosmos – het woeste water, de sterrenhemel – het voor het zeggen hebben.
Wat geloven zij dan wel en wat voor beeld van God en wereld stellen zij tegenover dat van de Babyloniërs?
1e Als een steeds terugkerend refrein horen we: “En God zag dat bet goed was”. Daaruit straalt een optimisme over de goede mogelijkheden die God in de schepping gelegd heeft en waarvan de mens mag genieten. In Babylonië overheerste een pessimistische levensvisie waarbij de mens onderworpen was aan de grillige houdingen van de goden.
2e We lezen, dat God de wereld volgens een bepaalde orde schept:
1e dag: Licht ~ 4e dag: Hemellichamen
2e dag: Uitspansel ~ 5e dag: Vissen, vogels
3e dag: Water/land;vegetatie ~ 6e dag: Landdieren; mens
In Babylonië zien we dat men niet verder kwam dan de gedachte van de chaosmachten die door de god Mardoek steeds weer bestreden moeten worden.
3e De scheppingsweek loopt uit op de sabbat: de rust die God steeds weer aan zijn schepselen wil geven en de uiteindelijke rust en vrede waartoe de schepping bestemd is. Hier blijkt overigens ook duidelijk, dat de priesters hier aan het woord zijn: ze geven hier aan het sabbatsgebod dat bekend was een diepere zin: wij houden de sabbat, omdat God zelf rustte van al zijn werken.
4e De wereld wordt ontdaan van de mythe: de wereld wordt niet getekend als het lijf van een godin, maar bestaat gewoon uit water en aarde. De sterren zijn geen goden, maar simpele lampen. Zo wordt de weg vrijgemaakt voor een nuchtere kijk op de werkelijkheid. En daarmee worden juist de voorwaarden geschapen voor het bedrijven van natuurwetenschap en onderzoek.
5e In het scheppingsverhaal krijgt de mens een bijzonder positie toegewezen tussen God en de overige schepselen. Hij wordt geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. In Psalm 8 lezen we, dat God de mens “bijna goddelijk” gemaakt heeft. Hij krijgt – zoals wel eens gezegd wordt – de positie van “kroon van de schepping”. Hij krijgt ook een taak en daarmee een verantwoordelijkheid : hij zal de aarde moeten bebouwen en bewerken en mogen heersen over de overige schepselen. Hij is niet – zoals in de Babylonische opvattingen – een speelbal van de goden, maar een volwaardige partner naast God, zijn beeld en gelijkenis.
4.Het oudere verhaal. Genesis 2.
In Genesis 2 lezen we opnieuw een scheppingsverhaal, maar dan van een heel ander karakter. De oertoestand is hier niet het water, maar de woestijn. God schept hier niet door middel van het woord, maar door middel van de daad. Hij schept hier niet het droge, maar maakt de droge aarde juist vochtig. De mens staat hier niet als hoogtepunt aan het eind, maar God begint met de mens. Dit verhaal heeft niet het karakter van verfijnde literatuur, zoals Genesis 1 dat feitelijk een gedicht is, maar het is eerder een volksverhaal. Het verhaal wordt ons doorgegeven door de eerder genoemde bijbelschrijver J., die geleefd moet hebben omstreeks de regering van Salomo. Hoe oud het verhaal feitelijk is, kunnen we alleen maar vermoeden. Waarschijnlijk werd het al vóór de intocht in Kanaän (ongeveer 1150 voor Chr.) mondeling overgeleverd. De Israëlieten trokken toen door de woestijn. Daarom spreekt er uit dit verhaal ook zo’n enorm verlangen naar water.
Toen de Israëlieten het cultuur land Kanaän binnendrongen en daar net als de oude landbouwvolken vaste woonplaatsen kozen om de grond om te spitten en in te zaaien, kwamen ze ook in aanraking met andere goden. Zij geloofden in een God die hen, een volk van herders, begeleidde op hun zwerftochten, ze baden Hem om bescherming op hun reis. In Kanaän echter werden andere goden vereerd. Hiermee was een nieuw probleem geschapen. Welke god zorgde er nu eigenlijk voor, dat de aarde vruchten droeg? Dat zouden dan wel de goden van de Kanaänieten zijn, de plaatselijke Baäls of vruchtbaarheidsgodinnen. Maar de vraag was: moet je, als je van manier van leven en van leefruimte verwisselt, ook van God verwisselen? Was de geestelijke God van de Sinai hier nog toereikend of moesten zij nu, religieus gesproken, primitiever worden en natuurgoden gaan dienen?
De Israëlieten weigerden en antwoordden met een belijdenis (het scheppingsverhaal van Genesis 2): In het begin was de aarde dor. Woestenij. Niet Baäl echter maakte haar vruchtbaar, maar God, de ene God. Niet de aardmoeders doen het water omhoog wellen, maar God. Hij doordrenkt de bodem. Hij boetseert de mens en zet hem in het land, dat Hij voor hem in een paradijs verandert. Hij doet de bomen groeien en geeft de mens de opdracht het land te bebouwen te verzorgen en te beheersen.
De gedachte, dat God de mens boetseert zoals een pottenbakker klei bewerkt komen we meer tegen in die tijd. In Egypte wordt de god Chnoem wel afgebeeld voor een pottenbakkersschijf waarop hij bezigis een kind van klei te vormen.
Het feit, dat de mens uit klei gevormd is komt ook tot uitdrukking in de naam die hij krijgt: “mens” – in het hebreeuws: ‘adam’, een woord dat afgeleid is van ‘adama’= (rode) aarde. De mens is dus duidelijk een aardmens.G
In het eerste scheppingsverhaal antwoorden de priesters op de uitdaging van de oosterse mythe. In het tweede antwoorden de oude volksvertellers op de uitdaging van de Kanaänitische vruchtbaarheidscultus. Zij stellen, dat de bomen geen godenwoningen zijn, zoals men in Kanaän geloofde, maar bomen zonder meer. Zij ontgoddelijken en verzakelijken de natuur en wijzen erop, dat de werkzaamheden van de mens staan onder het gezag van de ene God die dit alles geschapen heeft en in leven houdt.
5. Hoe de schepping verder ter sprake komt.
Naast genoemde scheppingsverhalen komt Gods scheppingswerk ook op andere plaatsen ter sprake in de bijbel. Een duidelijk voorbeeld is Psalm 104, een lofzang op Gods grootheid, zoals die naar voren komt in zijn schepping. (vgl.ook Job 38 – 41)
Opvallend is, dat ook het scheppingsmotief dat we in Babylon aantroffen – Mardoek die het zeemonster Tiamat versloeg – in de bijbel voorkomt. Maar dan worden andere namen gebruikt: God wordt getekend als degene die de macht van de chaos en het kwaad. verslaat. Die macht wordt dan voorgesteld als een groot zeemonster, als een draak die verschillende namen draagt: Leviatan, Rahab, Tannin, Behemot. Maar God wordt als zo machtig getekend, dat deze oermonsters slechts speelgoed voor Hem zijn: Psalm 104:25,26: “…groots, wijd uitgestrekt ligt de zee, daar is eindeloos levend bewegen van dieren (. ..) Leviatan huist er, die U gemaakt hebt, U kunt ermee spelen…” En in Psalm 74:13, 14 lezen we: “U bent het, die de zee hebt gekliefd door uw kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld. U bent het die de koppen van de Leviatan hebt vermorzeld…” vgl. ook Psalm 148:7; Psalm 89:11; Job 26:12; Job 9:13; Jesaja 51:9 e.a.
6.Schepping en evolutie.
Nu we de scheppingsverhalen tegen de achtergrond van hun ontstaan bekeken hebben, zal het duidelijk zijn, dat deze verhalen een geweldige betekenis gehad moeten hebben voor de mensen voor wie ze in eerste instantie geschreven werden. In een situatie van crisis betekenden zij een woord van bevrijding en bemoediging.
Tegelijk wordt duidelijk, dat het niet zinvol is om deze verhalen te leggen naast de onderzoeksgegevens uit de biologie, en naast de evolutieleer. De biologie verschaft ons gegevens en theorieën over hoehet leven op aarde zich in de loop van miljoenen jaren ontwikkeld kan hebben, maar kan nooit een uitspraak doen over de oorsprong of de zin van het leven en welke positie de mens tegenover de natuur zou moeten innemen. De theorie over de evolutie kan waar zijn. Maar dat betekent niet, dat de bijbelverhalen dan niet waar zijn. Alleen ze hebben het over iets anders. Het zijn belijdenissen van mensen die binnen het wereldbeeld van hun tijd uitspreken, dat zij geloven in een God die de wereld goed en als een waardevolle orde gemaakt heeft, een orde waarbinnen de mens zich veilig kan voelen, een schepping waarbinnen hij een bijzondere positie en verantwoordelijkheid heeft. Wanneer een evolutieleer dit soort uitspraken van mensen zou bestrijden, gaat ze buiten haar boekje als biologische theorie. In dat geval, maar alleen in dat geval, is ze in strijd met het geloof in de schepping.
_7.Conclusies.
Wat hebben de scheppingsverhalen ons vandaag nog te zeggen?
Ik wil slecht enkele dingen naar voren halen:
1.Het steeds terugkerende refrein in Genesis 1 “.. .en God zag, dat. het goed was…” (en aan het eind van de schepping: “en zie, het was zeer goed”), neemt de gedachte weg, dat de wereld een zinloos voortrollend systeem is dat uiteindelijk de ondergang tegemoet gaat. Nee, de mens wordt juist afgebracht van de gedachte, dat alles “woest en ledig” is. Tegelijk houden de verhalen ons ook voor, dat het ook goed moet blijven, of: weer worden.
2.Het verhaal uit Genesis 1 leert ons, dat wij mensen ons niet onderworpen en bedreigd hoeven voelen door allerlei kosmische machten. Niet b.v. de stand van de sterren bepalen het leven op aarde. De mens mag in vrijheid zijn weg gaan.
3.De mens wordt in Genesis 1 getekend als “beelddrager van God”, hij krijgt een bijzondere positie in de schepping. Hij mag de aarde bebouwen en bewerken en heersen over de dieren. Wij worden nu voor de vraag gesteld, of wij de verantwoordelijkheid voor onze bijzondere positie ook werkelijk willen dragen. Wij moeten ons afvragen of wij ook in die zin beelddrager van God willen zijn, dat wij werkelijk iets goeds voor de wereld om ons heen willen scheppen en of wij Gods schepping die nu steeds bedreigd wordt willen bewaren en beschermen.